Nieuws

Kinderen met urineweginfecties

0 reacties
Gepubliceerd
10 juli 2008

Hugenholtz verbaast zich in een ingezonden brief (H&W 2008;51:203) over de uitkomst van een onderzoek met LINH-gegevens, waarin wordt geconstateerd dat huisartsen aan slechts 66% van de jonge kinderen met een urineweginfectie antibiotica voorschrijven. De auteurs reageren vervolgens laconiek en stellen dat er mogelijk niet goed geregistreerd is, maar dat ze een zo zuiver mogelijk beeld hebben geprobeerd te krijgen en dat het nader onderzoeken van de niet-behandelde groep buiten het bestek van hun mogelijkheden viel. De argwaan van Hugenholtz is natuurlijk volkomen terecht; het lijkt ondenkbaar dat een huisarts een urineweginfectie bij een jong kind onbehandeld laat passeren – ik heb daarvan in ieder geval nog nooit gehoord. In hun onderzoek telden Harmsen et al. episodes gekoppeld aan de ICPC-codes 70 en 71 (Acute pyelonefritis en Cystitis) en daarnaast onder andere voorschriften, verstrekt binnen 28 dagen na het laatste contact binnen een van de genoemde episodes. De richtlijn Adequate dossiervorming met het Elektronisch Medisch Dossier van het NHG beveelt aan om nieuwe deelcontacten over een gezondheidsprobleem waarvoor al eerder een episode is aangemaakt aan de al bestaande episode toe te voegen. Als een kind ooit een urineweginfectie heeft gehad zal er dus een episode ‘Urineweginfectie’ zijn aangemaakt. Als hetzelfde kind drie maanden later met mictieklachten komt en de huisarts een urineweginfectie wil uitsluiten, zal hij de urine nakijken en een nieuw deelcontact aan de bestaande episode toevoegen. Als de urine niet afwijkend is, schrijft hij waarschijnlijk geen antibiotica voor. In het onderzoek van Harmsen lijkt het vervolgens of dit ten onrechte niet gebeurde. Zo kan het ook gebeuren dat een patiënt een acuut myocardinfarct doormaakt. Als de huisarts vervolgens een gelijknamige episode aanmaakt en de patiënt drie jaar later tijdens een deelcontact controleert, kan het er (vanuit het gezichtspunt van LINH) op lijken dat deze huisarts patiënten met een acuut myocardinfarct zelf behandelt in plaats van ze conform de richtlijnen met spoed te verwijzen. In hun oorspronkelijke artikel schrijven de auteurs dat rechtstreekse observatie en het handmatig doornemen van dossiers niet haalbaar is. Dat moge zo zijn en ik zit er met bovenstaande verklaring misschien naast, maar het ontslaat de onderzoekers niet van de plicht om de juistheid van hun gegevens te controleren en hun opmerkelijke conclusie te duiden. Het artikel van Harmsen doet mij ook sterk twijfelen aan de juistheid van de resultaten van eerdere onderzoeken gebaseerd op LINH-gegevens. Is de gehanteerde methode valide? Is het gebruik van databases van huisartsenregistratiesystemen wel de ‘optimale manier om informatie over het handelen van huisartsen te bestuderen’, zoals Harmsen stelt? Registreren huisartsen eigenlijk wel goed genoeg voor dit soort onderzoek? De onderzoekers hadden een doel, maar hadden ze wel een vraagstelling? De auteurs, de redactie van H&W en de redactie van BMC Family Practice hadden naar mijn mening dit artikel in deze vorm niet mogen publiceren. Bart van Pinxteren

Antwoord

Nadat Hugenholtz al eerder verklaringen aandroeg voor het ontbreken van een medicatievoorschrift bij de diagnose urineweginfectie bij kinderen in de LINH-database suggereert Van Pinxteren in zijn brief nog meer mogelijkheden daarvoor. Wij zijn het met hem eens dat het onwaarschijnlijk is dat huisartsen de kinderen niet behandelen. De conclusies in het oorspronkelijke artikel zijn mogelijk wat voorbarig, zoals ook de auteurs zelf schrijven in hun antwoord op de vragen van Hugenholtz. Anderzijds bevestigt het onderzoek eerdere bevindingen van de Tweede Nationale Studie. De suggestie dat de episodedefinitie van de auteurs mogelijk afwijkt van die in de NHG-richtlijn verdient nader onderzoek.
We zijn het met Van Pinxteren eens dat er vraagtekens gezet kunnen worden bij het gebruik van huisartsenregistratiesystemen om het handelen van huisartsen te onderzoeken. Als men echter dat handelen niet wil verstoren door het verrichten van onderzoek zijn we vooralsnog aangewezen op het HIS. Iets beters hebben we gewoon niet. Om hierom nu meteen de gehele LINH-database onbetrouwbaar te noemen gaat ons te ver. Dat de conclusies van het stuk zo ongenuanceerd in de pers zijn verschenen wijst ons nog eens op onze verantwoordelijkheid als redactie. de redactie

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen