Nieuws

Mannen!

Gepubliceerd
10 juli 2008

Lang geleden bestonden mijn vakanties nog uit kampeer-, klim- en andere ontberingen. Nu ik oud ben, is het comfort niet snel goed genoeg. Dat alles werkt, schoon en warm is en het bedienend personeel mij behandelt alsof ik van koninklijke bloede ben, is al het minste. Maar vroeger kampeerden wij dus, inclusief het met z’n allen in de rij staan voor het toilet, met de benodigde rol papier onder de arm.

Ik had een handige vriendin, dus onze tent stond meestal na redelijke tijd op z’n palen. Dat was anders bij onze Achterhoekse buren op een camping in Zuid-Frankrijk. Wij gingen net iets drinken in het dorp op het moment dat hij begon met het opzetten van de bungalowtent. Toen wij geruime tijd later goedgemutst terugkwamen, lag de tent nog steeds als een kluwen op de grond. Met dit verschil dat er nu duidelijk leven in de kluwen zat. Aangezien mevrouw met een misprijzend gezicht en de armen stijf over elkaar vanuit een tuinstoeltje toekeek, begrepen wij dat meneer onderdeel van de kluwen was en dus nog altijd doende de tent op te zetten. We waren net op tijd voor de volgende acte. De toon waarop zij hem opdracht gaf uit de tent te komen, sneed ons door hart en ziel, maar hij reageerde gelaten als iemand die erger gewend is. Zijn aanbod haar te helpen werd afgedaan met: ‘Blijf jij in vredesnaam overal vanaf!’ Hierna had zij hooguit tien minuten nodig om de tent in al zijn pracht en praal overeind te krijgen. De vrouw keek naar mijn vriendin en zei op een smalende toon, die ik nu nóg voel: ‘Wat zijn het toch ’n stumpers…!’

Dit tafereel kwam mij weer helder voor de geest toen ik onlangs het AD onder ogen kreeg: ‘Vrouwelijke artsen veel beter!’ En het was niet een ingezonden stuk van een gefrustreerde beroepsgenote. Nee, het was van Toine Lagro-Janssen, die hooggeleerd is en er onderzoek naar heeft gedaan. Mijn hart maakte van trots een sprongetje in mijn borst. Want ik wil hier niet de Nostradamus van de Lage Landen gaan uithangen, maar 25 jaar geleden heb ik al een gehoor van voornamelijk mannelijke huisartsen tegen mij in het harnas gejaagd door de stelling te verdedigen dat de huisartsenij een vrouwenvak is. Ik besef natuurlijk heel wel dat ik het handjevol mannelijke lezers van deze column nu voorgoed van mij vervreemd. Dat is dan jammer, maar voor je principes moet je bereid zijn offers te brengen. Ik heb bij tientallen gastvrije huisartsen een aantal spreekuren vanachter een conifeer mogen meemaken. Op die manier kreeg ik een aardig beeld van wat zich door de dag heen in de spreekkamer afspeelt. Recht van bekritiseren heb ik niet, want laat ik vooropstellen dat ik zelf reeds na de vierde of vijfde patiënt – al dan niet nog in aanwezigheid van de clientèle in kwestie – mijn bureau zou hebben omgegooid onder het uiten van de kreet dat zij hun eigen soort maar in de maling moesten nemen. Ik heb altijd al wel geweten dat ik niet geschikt was voor het huisartsenvak. Dit tot verdriet van mijn moeder die mij, puber, met romans als De Chirurg op het juiste pad probeerde te krijgen.

Om een spreekuur goed te doen heb je engelengeduld, een luisterend oor, oog voor details, inlevingsvermogen en liefde voor de medemens nodig, om maar eens een paar eerste vereisten te noemen. Maar die eigenschappen zijn mij in de nascholingen, vergaderingen en informele ontmoetingen met mannen nooit als overheersend opgevallen. Toch beschikten de mannelijke huisartsen die ik leerde kennen – op een enkele hork na, die dan ook bij zijn afscheid beloond werd met een reis naar Zuid-Amerika – wel degelijk over die eigenschappen. Veel mannen die huisarts worden, zijn dus met een aantal vrouwelijke eigenschappen gezegend. Ik heb nog wel invoelend vermogen genoeg om vurig te hopen dat zij niet doen alsof, want daarvoor is de prijs vaak erg hoog!

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen