Nieuws

Metatheorie

Gepubliceerd
10 januari 2001

De auteur van dit boek is filosoof en internist, hoofd van de afdeling inwendige ziekten van het Tambo Memorial Hospital in Johannesburg. Hij beoogt met dit boek een metatheoretische grondslag te leggen voor verandering van de klinische methode. Daartoe onderzoekt hij de wetenschapstheorie (de geneeskundige-wetenschappelijke benadering is te kenschetsen als naief empiricisme), de ontologie en de filosofische antropologie: de theorie van het bewustzijn. Het boek is geschreven vanuit belangstelling en bezorgheid voor de zorg: de wetenschappelijke benadering die thans in de geneeskunde gebruikelijk is, laat geen ruimte voor de betekenis die patiënten aan hun ziekte toekennen, aan hun hoop en hun vrees. We kunnen placebowerking niet verklaren; we begrijpen niet waarom wonden beter genezen naarmate de arts-patiëntrelatie beter is. Kriel ontwikkelt daartoe een visie op het menselijk zelfbewustzijn vanuit de evolutieleer. Het zelfbewuste menselijke organisme gebruikt als levend systeem woorden en verhalen om zich uit te drukken en zich met anderen te verstaan. Het zelfbewustzijn is, evenals de menselijke seksualiteit, een open systeem: ons gedrag is niet uitsluitend afhankelijk van hormonen en andere invloeden uit het eigen systeem. Dat blijkt hoe wij omgaan met de invloed van lifestyle-factoren op chronische ziekten en soa. Het blijkt ook onze problemen met euthanasie, in-vitro-fertilisatie en orgaantransplantatie: ze zijn binnen onze medische natuurwetenschappelijke benadering niet te begrijpen. Kriel pleit derhalve voor een wetenschappelijke fundering van de klinische methode vanuit een complexe systeemtheorie. De auteur heeft gelijk: er bestaat een aanzienlijke kloof tussen de natuurwetenschappelijke benadering van ziekte en de benadering die zelfbewuste biologische systemen idealiter zouden vereisen. Nu zijn er in de huisartsgeneeskunde patiëntgerichte benaderingen die dit probleem proberen op te lossen, maar die hebben een lage wetenschappelijke status. In een gast-editorial beschrijft Sam Fehrsen van de afdeling huisartsgeneeskunde van de universiteit van Stellenbosch waarom volgens hem dit boek een belangrijk probleem aansnijdt: omdat zorgen voor mensen niet langer synoniem is met de medische beroepsuitoefening: gegevens over niet-materiële zaken hebben geen wetenschappelijke status. Hoe patiënten leven en werken wordt gereduceerd tot risicofactoren; hun levensgeschiedenis wordt teruggebracht tot een anekdote. Maar de natuurwetenschappelijk georiënteerde aanpak van de geneeskunde is uiterst succesvol, althans binnen bepaalde grenzen. Die grenzen zelf vallen buiten de reikwijdte van de natuurwetenschap. Nu de sterfte aan aids door antivirale therapie aanmerkelijk teruggedrongen kan worden, lijken vooral de sociaal-economische aspecten van ziekte en gezondheidszorg van het grootste belang. Die chemotherapie is immers in Afrika niet betaalbaar. Over dat soort sociaal-politieke factoren gaat dit boek niet. De bejegening van patiënten door de dokter, de omgang van patiënten met hun gezondheid en hun ziekte vallen ook buiten de grenzen van de natuurwetenschappen. De natuurwetenschappen vormen daarom een te smalle basis voor de klinische praktijk, zeker van die van de huisarts. Op dit punt geeft dit boek aanzetten tot kritische maar theoretische reflectie. Ik waag te betwijfelen of dat voldoende is om de geneeskundige praktijk te veranderen. Anders gezegd: het lijkt mij de vraag of dit boek diegenen bereikt die invloed kunnen uitoefenen in de beoogde richting en in staat zijn de complexe systeemtheorie als wetenschappelijke basis voor de klinische methode hoger op de hiërarchie van de wetenschappelijke ladder te laten klimmen. In de woorden van het motto van het eerste hoofdstuk: om te overleven moeten we verhalen vertellen. Dit boek bevat een pleidooi voor het verhaal van zelfbewuste mensen als basis voor wetenschappelijke reflectie. Dat is voor de huisartsgeneeskunde een goed motto.

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen