Nieuws

Minder huisartsenzorg voor chronisch zieken

Gepubliceerd
10 oktober 2006

Bijna iedereen met een chronische ziekte heeft jaarlijks één of meerdere keren contact met de huisarts, namelijk ongeveer 95% tegen 75% in de algemene bevolking. Hieronder bekijken we hoe het contact van chronisch zieken met de huisarts zich heeft ontwikkeld in de periode 1997-2004.

Aard van de chronische ziekte niet van invloed, comorbiditeit wél

Het feit dat zo veel mensen met een chronische ziekte in contact komen met de huisarts, hangt niet samen met de aard van de chronische ziekte, maar wel met het aantal chronische ziekten waaraan iemand lijdt. Jaarlijks ligt het aantal contacten met de huisarts bij mensen met comorbiditeit (meer dan één chronische ziekte) significant hoger (96%) dan bij patiënten met één chronische ziekte (92%). Dit blijkt uit peilingen die zijn gedaan in het kader van het onderzoeksprogramma Nationaal Panel Chronisch zieken en Gehandicapten (NPCG).

Frequentie huisartsencontact daalt

Figuur 1 laat de ontwikkeling zien van het aantal contacten van chronisch zieken met de huisarts tussen 1997 en 2004. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen mensen met één, twee of minstens drie chronische ziekten. De gemiddelde contactfrequentie van alle chronisch zieken steeg tussen 1997 en 1999 (de roze lijn in figuur 1), en nam daarna weer af. De frequentie daalde met gemiddeld bijna één contact. Deze daling is vooral zichtbaar bij mensen met twee of meer chronische ziekten.

Van cure naar care

De daling in contactfrequentie na 1999 valt samen met een sterke stijging in het contact van chronisch zieken met gespecialiseerde verpleegkundigen, zoals diabetes- of longverpleegkundigen. Het gebruik van gespecialiseerde verpleegkundige zorg door chronisch zieken steeg van 14% in 1999 naar 30% in 2004 (figuur 2), terwijl er in deze periode geen opvallende veranderingen zijn in het gebruik van andere zorgvoorzieningen door chronisch zieken, zoals de thuiszorg of fysiotherapeutische zorg. Deze stijging deed zich vooral voor bij patiënten zonder comorbiditeit. Dit zou kunnen betekenen dat gespecialiseerde verpleegkundige zorg steeds toegankelijker wordt voor minder ‘complexe’ patiënten. Mensen met comorbiditeit maken over het algemeen al meer gebruik van deze zorg. Overigens is in 2004 ten opzichte van 2003 ook een stijging zichtbaar in de contacten van chronisch zieken met praktijkondersteuners. Zij richten zich eveneens op bepaalde groepen chronisch zieken.

Meer aandacht voor zelfzorg en leefstijl

Mensen met een chronische ziekte lijken dus steeds minder gebruik te maken van huisartsenzorg, terwijl zij een groter beroep doen op zorg door gespecialiseerde verpleegkundigen. Deze zorg richt zich op het leren omgaan met ziekte en behandeling, op zelfmanagement en zelfredzaamheid. Van meer aandacht voor zelfzorg en leefstijl mag een preventief effect worden verwacht, zodat de huisarts op termijn mogelijk de chronisch zieken nog minder vaak gaat zien.

De hier beschreven resultaten zijn gebaseerd op gegevens van het onderzoeksprogramma Nationaal Panel Chronisch zieken en Gehandicapten (NPCG), sinds 2005 opvolger van het Patiëntenpanel Chronisch zieken (PPCZ) waaronder vanaf 1997 gegevens zijn verzameld bij mensen met een chronische ziekte. Het NPCG peilt halfjaarlijks de zorg- en leefsituatie van ruim 3500 zelfstandig wonende mensen met chronische somatische ziekten en lichamelijke beperkingen van 15 jaar of ouder. Het NPCG wordt uitgevoerd door het NIVEL met financiële ondersteuning van de ministeries van SZW en VWS. Zie voor verantwoording en meer informatie www.nivel.nl/npcg. Reacties naar npcg@nivel.nl.

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen