Nieuws

Na de dood

0 reacties
Gepubliceerd
10 mei 2001

In de klinische les ‘Na de dood’ door Lucassen et al. (Huisarts Wet 2001;44(2):48-50) valt tot tweemaal toe te lezen dat een huisarts of diens waarnemer, ook als deze vlak na het overlijden arriveert, kan gelden als behandelend arts, zelfs als er sprake is van acuut overlijden. Wij achten deze passages onjuist. In het gezaghebbende ‘Handboek Wet op de lijkbezorging’ valt te lezen dat alleen behandelend geneeskundigen en gemeentelijke lijkschouwers een verklaring van overlijden mogen afgeven. 1 Een behandelend geneeskundige wordt daarin omschreven als ‘de arts die de overledene tijdens het leven als laatste op enigerlei wijze onder zijn medische zorg heeft gehad. Dit veronderstelt dat hij tijdens het leven van de overledene in staat is geweest om tot een diagnose te komen. Hij zal vervolgens alleen een verklaring van overlijden af kunnen geven, indien hij tijdens het leven van zijn patiënt een verklaring heeft kunnen vinden voor het letale verloop, indien het overlijden in alle redelijkheid verwacht kon worden en zulks gesteund wordt door zijn bevindingen bij de lijkschouwing.’ Het bulletin ‘Informatie voor artsen met betrekking tot de Wet op de lijkbezorging 1991’ van de Geneeskundige Hoofdinspectie bevat woorden van dezelfde strekking. 2 Door deze restricties omtrent wie mag optreden als behandelend geneeskundige, is vastgelegd wanneer een sterfgeval als natuurlijke dood kan worden beschouwd; daarbij gaat het erom dat gevallen van niet-natuurlijke dood worden onderkend. De vermelding van het feit dat ook niet-artsen de dood kunnen constateren, is in dit verband irrelevant. Een en ander betekent praktisch gesproken dat waarnemers alleen kunnen gelden als behandelend arts als zij de terminale fase hebben meegemaakt, en dat de eigen huisarts, ook al is hij behandelend arts, volgens de letter der wet bij acute sterfgevallen doorgaans geen verklaring van overlijden mag afgeven. Dat de praktijk anders is en de huisarts regelmatig voor problemen plaatst, hebben wij vorig jaar beschreven. 3 Wij hebben toen gesteld dat een duidelijke keus noodzakelijk is tussen enerzijds strikte toepassing en anderzijds verruiming van de wet. Het actuele voornemen om bij overlijden van minderjarigen sowieso de lijkschouwer in te schakelen (de Volkskrant, 5 maart 2001), past in dit kader. Tj. Wiersma W.P.R.A. Cappers

Naschrift

Artikel 3 van de WLB stelt dat een lijkschouw dient te geschieden door een behandelend arts of een gemeentelijk lijkschouwer. In de wet wordt echter niet gedefinieerd wat een behandelend arts is. Het begrip waarnemend is nog steeds een punt van discussie. Das stelt dat er gewoonlijk niet van uitgegaan wordt dat ‘behandelend’ betekent dat ooit een behandeling bij de patiënt is ingesteld. 1 Het begrip ‘behandelend arts’ is ruimer conform het begrip behandelen in de WBGO (art. 7:446 BW). Ook als de arts zich slechts zeer kort heeft beziggehouden met diagnostiek, mag hij als behandelend arts beschouwd worden. Bijvoorbeeld: waarnemend arts wordt gebeld voor een patiënt met hevige pijn in de buik uitstralend naar de rug, is klam en bleek; bij aankomst blijkt de patiënt te zijn overleden; waarschijnlijkheidsdiagnose: gebarsten aneurysma aortae abdominalis. De overlijdensverklaring kan dan afgegeven worden. Ook kan het voorkomen dat de waarnemend arts geroepen wordt bij een reeds overleden patiënt. Hier mag de waarnemer zich als behandelend arts beschouwen als hij overtuigd is, van natuurlijk overlijden. Raadzaam is echter wel dat de waarnemend arts een heteroanamnese afneemt, onderzoek verricht van het gehele lijk, zich overtuigt van de identiteit van de overledene en eventueel (later) navraag doet bij de huisarts van de overledene alvorens tot het afgeven van een overlijdensverklaring over te gaan. Zo handelen de meeste (waarnemend) huisartsen, omdat zij ervan uitgaan dat de dienstdoende huisarts alle patiënten van de waarneemgroep op enigerlei wijze onder zijn medische zorg heeft. Wiersma & Cappers hebben evenwel gelijk als zij stellen dat de wet ofwel strikt toegepast ofwel verruimd moet worden. Het is te verwachten dat een en ander in de toekomst duidelijker zal worden geregeld, zeker nu ook het Openbaar Ministerie zich al meer dan eens over de wijze van afgifte van overlijdensverklaringen heeft uitgelaten. De verklaring dat bij het overlijden van kinderen altijd een lijkschouwer moet worden ingeschakeld, past daar inderdaad in. U. Reijnders P. Lucassen A. Rechters

Literatuur

  • 1.Van der Putten WGHM. Handboek Wet op de lijkbezorging. Lelystad: Vermande, 1993.
  • 2.Geneeskundige Hoofdinspectie van de Volksgezondheid. GHI bulletin. Informatie voor artsen met betrekking tot de Wet op de Lijkbezorging 1991. Staatstoezicht op de Volksgezondheid, 1991.
  • 3.Wiersma Tj, Cappers W. Zorg voor het lijk of voor de nabestaanden? Dilemma's van huisartsen bij een onaangekondigde dood. Med Contact 2000;55;738-42.

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen