Nieuws

Na de hoogmoed…

0 reacties
Gepubliceerd
8 maart 2012
Ik was net weer in staat tot ‘lichte’ werkzaamheden, zodat ik die middag voor Sinterklaasavond geruime tijd in mijn werkkamer doorbracht om de administratie en de post op peil te krijgen. Ik kwam kennelijk even te snel overeind, want ik werd duizelig en stortte als een zoutzak ter aarde, in casu met mijn heup op het parket. In godsnaam niet wéér naar een ziekenhuis, was mijn eerste gedachte. Gevolgd door: Ach, mijn lieve mantelzorgster dacht net weer wat licht aan het eind van de tunnel te zien…
Bij de telefoon kon ik niet komen. Mijn rug durfde ik niet te bewegen want die lag plat op de grond en ik weet van de EHBO op het sportveld dat de boodschap is: stil blijven liggen tot het gefixeerd is.
Maar aan het eind van de middag ging het opeens snel. Vrouw komt binnen: ‘Och gut!’ Huisarts komt binnen: ‘Doet dit pijn?’ Broeders komen binnen: ‘Een, twee, drie… prima zo!’
En wéér een gang naar de kliniek. Rechterbovenbeen gebroken. Mijn heup blijkt aardig versleten, maar het gaat een week duren voor er een passende prothese is. Zó lang plat liggen ga ik niet trekken. Na een paar dagen van orthopedisch overleg wordt besloten dat de patiënt toch te kwetsbaar is voor een gehele heupoperatie en wordt de breuk met roestvrijstalen onderdelen gerepareerd. Ik was in een erg matige conditie en had de delieren van de intensive care nog vers in het geheugen. Ik was bang voor restverschijnselen van een narcose op mijn leeftijd en wilde daarom per se de narcotiseur ertoe bewegen mij een ruggenprik te geven (‘Je zag het bij Juliana…’). Maar alle pogingen ten spijt krijgen we deze man drie dagen lang niet te spreken! (‘Ik ken die meneer wel…’, krijgen we te horen via een zuster die door hem werd terechtgewezen hem vooral niet te storen). Vlak voor de operatie zie ik de narcotiseur eindelijk, maar ik ben dan al te beneveld om nog behoorlijk te kunnen praten.
De uitwerking van de niet-gewilde narcose liegt er niet om. Ik krijg een dagenlang delirium en weet niet meer wie de spelers in het stuk zijn. Overdag zit ik gesedeerd in een stoel, maar zodra de dag donkerder begint te worden, weet ik niet meer wie of waar ik ben. ’s Middags om vijf uur ga ik naar mijn huis in Oegstgeest (ik woon in Amsterdam). Als ik de sleutel omdraai en ‘mijn huis’ binnenstap, is het weer de ziekenhuiskamer waar mijn, nu lege, bed staat en de andere bedden bezet zijn door drie oudere heren met wie ik mijn ziekenhuiskamer deel. Ik bel in paniek mijn gade op: ‘Ze hebben het hele ziekenhuis naar ons huis verplaatst! Waar ben jij nou?’ ‘Gewoon thuis, ik ben net bij je op bezoek geweest…’ ‘Dat kan niet, want ik ben nu thuis en jij bent hier niet en ze hebben van alles veranderd!’ Ik ben pas weer in de realiteit terug te brengen als zij nogmaals de autorit naar het ziekenhuis heeft ondernomen en wij elkaar fysiek ontmoeten. Maar ze is nog niet weg of ik beland weer op een onbekende plek.
‘Mag ik niet bij hem blijven slapen nu hij toch in een aparte ruimte ligt?’ ‘Ja, dat moest er nog bijkomen. Stel dat we daaraan gaan beginnen… Straks komt iedereen hier slapen! We zijn hier tenslotte wel een bedrijf, mevrouw! We geven hem wel een rustgevend middel.’ En daar hing ik de volgende dag dan weer comateus in de stoel. Van revalideren komt zo helemaal niets terecht en zorg voor de patiënt bestaat uit het zorgen dat de patiënt niemand tot last is.
Hans van der Voort
hvdvoort@knmg.nl

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen