Nieuws

NHG-Farmacotherapeutische Richtlijn: Geneesmiddelen in spoedeisende situaties

Gepubliceerd
10 november 2005

De recent gepubliceerde NHG-farmacotherapeutische richtlijn geneesmiddelen in spoedeisende situaties¹ gaat voorbij aan de gevallen waarin de huisarts geconfronteerd wordt met een circulatiestilstand. Ik denk hierbij met name aan dienstsituaties op de centrale huisartsenpost (CHP), waarbij veelal de automatische externe defibrillator (AED) ingezet wordt en dus overwogen kan worden iedere 3 minuten 1 mg adrenaline intraveneus toe te dienen.23 Adrenaline 1 mg kan men toedienen via een centrale intraveneuze lijn of perifeer intraveneus gevolgd door 10 cc NaCl 0,9% als bolus. Indien er geen intraveneuze toegang is, maar de patiënt wel geïntubeerd is, kan men intratracheaal 3 mg adrenaline in 10 cc NaCL 0,9% geven. Wanneer de overweging is om uitsluitend op basis van evidence medicatie aan te bevelen, is de evidence voor adrenaline bij een circulatiestilstand inderdaad laag.4 Het toedienen van amiodaron in geval van ventrikelfibrilleren of een polsloze ventrikeltachycardie, hetgeen is af te leiden via sommige AED’s (na het tweede ‘shockblok’), is duidelijk weer een stap verder en bewerkelijker met ook een magere evidence op uiteindelijke overleving.235 Amiodaron 300 mg moet dan worden opgelost in 20 cc glucose 5% en als bolus na het tweede shockblok gegeven worden, eventueel gevolgd door 150 mg idem opgelost na het vierde shockblok. Het (beter) afstemmen van richtlijnen voor de huisarts en protocollen voor de ambulancedienst is aan te bevelen. Reinout van Bentveld

  • Draijer LW, Kolnaar BGM, Bouma M, Eizenga WH. NHG-Farmacotherapeutische Richtlijn: Geneesmiddelen in spoedeisende situaties. Huisarts Wet 2005;48:295-303.
  • Hartman JAM, Lichtveld RA, De Vries GMJ, Ten Wolde WLM. Landelijk Protocol Ambulancezorg Versie 6.0.0. Zwolle: Stichting LAMP, 2003.
  • Richtlijnen voor specialistische reanimatie voor volwassenen. Nederlandse reanimatieraad, 2002.
  • Ong ME, Lim SH, Anantharaman V. Intravenous adrenaline or vasopressin in sudden cardiac arrest: a literature review. Ann Acad Med Singapore 2002;31:785-92.
  • Kudenchuk PJ, Cobb LA, Copass MK, Cummins RO, Doherty AM, Fahrenbruch CE, Hallstrom AP, Murray WA, Olsufka M, Walsh T. Amiodarone for resuscitation after out-of-hospital cardiac arrest due to ventricular fibrillation. N Engl J Med 1999;341:871-8.

Antwoord

Volgens Van Bentveld moet de huisarts bij een circulatiestilstand overwegen intraveneus adrenaline toe te dienen. Bovendien acht hij een betere afstemming van richtlijnen voor ambulancedienst en huisartsen wenselijk. Bij een circulatiestilstand heeft toepassing van basic life support (BLS) de voorrang. De huisarts legt zich in eerste instantie daarop toe. Vooral als hij dienst doet vanuit een CHP kan hij daarbij meestal ook gebruikmaken van een AED. In de praktijk staat de huisarts er bij deze ‘eerste-hulp’ alleen voor, of wordt hij bijgestaan door de chauffeur van de CHP-auto – sinds de oprichting van CHP’s waarschijnlijk de meest voorkomende situatie. Zij zullen aan de BLS hun handen vol hebben. Zodra de ambulancedienst arriveert, kan worden overgegaan op advanced life support. Hieronder valt onder meer de toediening van medicatie. Conform de richtlijnen hiervoor hangen aard en dosis van het geneesmiddel (bijvoorbeeld adrenaline of amiodaron) en moment van toediening af van het type ritmestoornis dat de circulatiestilstand veroorzaakt.12 Adrenaline moet per intraveneus infuus of, als de aanleg daarvan niet lukt, endotracheaal worden toegediend. Vooral voor dat laatste is speciale vaardigheid vereist waarover de meeste huisartsen niet beschikken. Kortom: de huisarts kan in de periode voor de komst van de ambulancedienst alleen adrenaline toedienen als hij daarvoor over voldoende vaardigheden en (diagnostische) hulpmiddelen beschikt en anderen BLS kunnen toepassen. Dit zal in de praktijk zelden het geval zijn. Wij hebben de richtlijn waar nodig zo veel mogelijk afgestemd op de protocollen die in gebruik zijn bij de ambulancediensten.1 Bovendien hebben wij een ontwerpversie van de richtlijn aan de auteurs daarvan voorgelegd en hun commentaar zo veel mogelijk verwerkt. Ben Kolnaar, Willem Draijer, Margriet Bouma, Wietze Eizenga

  • Hartman JAM, Lichtveld RA, De Vries GMJ, Ten Wolde WLM. Landelijk Protocol Ambulancezorg Versie 6.0.0. Zwolle: Stichting LAMP, 2003.
  • De Nederlandse Reanimatieraad. Richtlijnen voor specialistische reanimatie voor volwassenen http://www.reanimatieraad.nl/richtlijnen.htm, geraadpleegd op 19 september 2005.

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen