Nieuws

Oefenen voor dokter

0 reacties
Gepubliceerd
4 oktober 2012
Als co-assistent keek ik uit naar de tijd dat ik écht dokter zou zijn. Een eind aan het tijdperk van verwarring rondom mijn functie en scepsis over mijn capaciteiten. Een huisarts-in-opleiding, volwaardig arts in bezit van een BIG-registratie, heeft daar toch geen last meer van? Helaas is het tegendeel waar.
Het zijn de opmerkingen aan het eind van een consult die me daar bij tijden op wijzen. Vooral vrouwen van middelbare leeftijd die hun (schoon)moeders begeleiden lijken er een sport van te maken. En wanneer ben je écht dokter?’’ , ‘Hoe lang duurt je stage nog?’, ‘Dus jij bent de co-assistent?’
Die opmerkingen zijn stuk voor stuk aardig bedoeld, maar ook behoorlijk ongemakkelijk. Bij stagiaires verwachten ze dat je er hun ‘echte huisarts’ bij roept voor de bepaling van het uiteindelijk beleid. Als ik dit dan niet doe moet ik voor mijn gevoel alles uit de kast trekken om ze te overtuigen van mijn visie en voorstel. Behoorlijk vermoeiend.
Het toppunt was tijdens een dienst waarin mijn opleider en ik een spoedvisite aflegden bij een man met pijn op de borst. Ik leidde het consult en mijn opleider observeerde. We konden een acuut coronair symdroom niet uitsluiten en dus bestelde ik een ambulance. De vrouw en dochter van de patiënt leken totaal geen besef te hebben van de ernst van de situatie en kwebbelden vrolijk door. Het viel hen natuurlijk op dat we met twee man sterk waren en dus werd gevraagd naar mijn functie.
‘Huisarts-in-opleiding’ werd al snel geïnterpreteerd als co-assistent, waarop moeder opmerkte: ‘Goh, dat is wel leuk hè, zo kun je goed oefenen’. De familie was de nuchterheid zelf, dus om hun woorden over te nemen: inderdaad ideaal oefenmateriaal. Maar een beetje welopgevoede arts beschouwt zijn patiënt natuurlijk nooit of te nimmer als fantoompop (met alle respect voor Resusci-Anne).
Weer goed bedoeld maar ook hier had ik het idee niet serieus genomen te worden. Ik voelde me een stagiaire die onder het – lees wel: nauwléttende – oog van haar supervisor mocht handelen. Met enige bewijsdrang wilde ik dit ontkrachten door het infuus vakkundig in te brengen. Helaas mislukte dat. Gelukkig bleef ‘nuchtere dochter’ stug tv kijken terwijl de ambulance inmiddels arriveerde, dat leidde de aandacht een beetje af.
Ik kwam binnen als arts maar droop af als co-assistent.
Ik vind het lastig om te gaan met de verwarring rond mijn functie. Ook al sta ik nog aan het begin van mijn leercurve, ik wil voor volwaardig worden aangezien. Soms krijg ik de neiging in de verdediging te schieten in een situatie als eerder beschreven. Maar ‘ik ben al dokter hoor’ staat ook zo co-assistenterig.
Moet ik mezelf wellicht anders introduceren? Ik stel me vaak voor met mijn voor- en achternaam of als ‘huisarts-in-opleiding’. Ook al mag ik mezelf dokter noemen, ik krijg het D-woord vaak moeilijk over mijn lippen. Terwijl ik schreeuw om erkenning als arts, moet ik me misschien dus eerst afvragen of ik mezelf wel duidelijk genoeg als arts presenteer. Neem ik mezélf wel serieus als arts?
Een korte zelfanalyse doet vermoeden dat ik mijn functie misschien bewust vaag omschrijf, omdat ik haar soms toch ook in mijn voordeel gebruik. Er zijn talloze momenten waarop ik er zelfstandig niet helemaal uitkom en de opleider om advies vraag. Dan is het fijn om je even te kunnen verschuilen achter je opleiding: je hoeft nog niet alles te weten. Zeker wanneer een patiënt mij de les leest met zijn gegoogelde (en helaas correcte) informatie, ben ik lekker nog even de huisarts-in-opleiding die nog 2,5 jaar stage moet lopen, dan pas écht huisarts is, en die nog héél veel moet oefenen.

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen