Nieuws

Oefentherapie werkt

Gepubliceerd
10 juni 2004

Oefentherapie wordt voor veel aandoeningen ingezet en over de effectiviteit ervan is veel gepubliceerd. Wanneer en bij welke aandoening oefentherapie moet worden ingezet blijft door wisselende uitkomsten van RCT's en systematische reviews onduidelijk. Een door de Gezondheidsraad ingestelde wetenschappelijke commissie heeft de inzet van oefentherapie geëvalueerd en een advies uitgebracht. Door de grote hoeveelheid literatuur is dit advies gebaseerd op een review van systematische reviews per aandoening waarvoor oefentherapie vaak wordt ingezet. Uit het rapport blijkt ten eerste dat oefentherapie bewezen effectief is voor patiënten met cystische fibrose, COPD, claudicatio intermittens, gonartrose en subacute en chronische rugklachten. Ten tweede zijn er aanwijzingen dat oefentherapie effectief is bij patiënten met de ziekte van Parkinson, de ziekte van Bechterew, coxartrose en na een CVA. Over de effectiviteit van oefentherapie bij reumatoïde artritis, schouderklachten, nekklachten, RSI, astma en bronchiëctasieën viel geen uitspraak te doen wegens het ontbreken van goed uitgevoerd onderzoek. Daarnaast bleek dat oefentherapie niet effectief is bij acute lage-rugklachten. En tot slot: oefentherapie is niet schadelijk. Dit zijn de conclusies uit de samenvatting. In de tekst wordt na beschrijving van de methodologie, per aandoening aangegeven welke reviews zijn gevonden en welke voor deze review zijn geïncludeerd. Hier worden de conclusies verder genuanceerd. Zo blijkt dat de effectiviteit van oefentherapie bij COPD alleen is vastgesteld ten opzichte van geen behandeling. Over de vergelijking met andere conservatieve behandelingen kan geen uitspraak worden gedaan. Bij het CVA gaat het om de vergelijking tussen oefentherapie en intensieve oefentherapie. Bij de mogelijke werkzaamheid bij coxartrose betreft het slechts de conclusie van één RCT. Zo is voor iedere aandoening een verdere nuancering nodig. Alleen het lezen en interpreteren van de samenvatting volstaat dus niet. Hoe en wanneer oefentherapie bij de diverse aandoeningen moet worden ingezet, is nog niet helder. Een gemiste kans is dat het rapport slechts bij enkele aandoeningen ingaat op de langetermijneffecten van oefentherapie, alleen bij gon- en coxartrose wordt aangegeven dat dit nog onduidelijk is. Ook strategieën voor gedragsverandering naar meer en gezonder bewegingsgedrag komen helaas niet aan bod. De uiteindelijke aanbeveling om oefentherapie centraal te stellen in de fysiotherapeutische behandeling is – gezien het praktisch ontbreken van langetermijneffecten – ‘kort door de bocht’.

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen