Praktijk

Ondertussen in TPO 5

Gepubliceerd
1 oktober 2014

Verschillende pillen bij hypertensie

Ravee Rambharose zet in een tweedelig artikel de verschillende antihypertensiva uiteen. In dit deel besteedt hij aandacht aan de ACE-remmers. Via de multidisciplinaire richtlijn CVRM komt het medicatie-stappenplan aan bod, met als belangrijkste aandachtspunt dat niet voor iedereen hetzelfde stappenplan geldt.
Ravee gaat uitgebreid in op het werkingsmechanisme van deze medicijnen, de belangrijkste bijwerkingen, de interacties en hoe de medicijnen werken bij de verschillende bevolkingsgroepen. Tot slot staat hij stil bij de vraag welke ACE-remmers de voorkeur hebben.
In het volgende nummer van TPO (6) zijn de bètablokkers, de calciumantagonisten en diuretica aan de beurt.

Alle inhalatoren op een rijte

Lidewij Broekhuizen et al. hebben het artikel ‘Inhalatoren bij astma en COPD’ dat ze eerder voor H&W schreven aangepast en toegeschreven naar de praktijkondersteuners. Er zijn namelijk veel inhalatoren op de markt en dat maakt het soms moeilijk om te kiezen. Kort gezegd is er de keus tussen een poederinhalator of een dosisaerosol waarbij de laatste meestal maar niet uitsluitend met een voorzetkamer wordt gecombineerd.
De auteurs leggen uit dat de keuze afhangt van de mogelijkheden en de voorkeur van de patiënt. Het evalueren van de volgende vier zaken helpt: kan de patiënt bewust inademen; kan de patiënt krachtig inademen; kan de patiënt de adem vijf seconden vasthouden, en heeft de patiënt een goede hand-longcoördinatie? Het is verstandig om de patiënt maar één soort inhalator te laten gebruiken en geen dosisaerosol en poederinhalator naast elkaar. Laat de patiënt na starten van een nieuwe inhalator na maximaal zes weken terugkomen voor evaluatie van gebruik en techniek. Controleer bij mensen met astma of COPD jaarlijks de inhalatietechniek en het onderhoud. Een inhalator correct gebruiken heeft veel meer effect op de longdepositie en de klachten dan het verschil in de inhalatoren op zich.

De poh-ggz aan het woord

Hoofredacteur Sietsche van Gunst interviewt Jan Seeleman over zijn vak. Hij is POH-ggz in gezondheidscentrum De Molenwiek in Almere Buiten. Hij is gedetacheerd vanuit een grote ggz-instelling en een van de dingen die Sietsche wil weten is of hij gebonden is aan zijn eigen organisatie als hij patiënten moet verwijzen naar de specialistische ggz. Dat blijkt niet het geval te zijn.
Verder vertelt Seeleman uitgebreid wat hij kan betekenen voor zijn patiënten: hij biedt een luisterend oor en geeft adviezen, tips en huiswerkopdrachten. Zo nodig brengt hij ze in contact met maatschappelijk werk, de sociale raadslieden of anderen die praktische ondersteuning bieden.
Sietsche vraagt ook hoe zijn samenwerking met de huisartsen is en met de andere praktijkondersteuners (somatiek).

Beslishulp zorgbehoefte CVA-patiënten

Annette Baars-Elsinga et al. hebben een digitaal screeningsinstrument ontwikkeld waarmee de praktijkondersteuner samen met de patiënt de zorgbehoefte vaststelt in de chronische fase na een CVA. Het gaat om de Beslishulp beroerte thuis (BBT). Een groot deel van de CVA-patiënten leeft met blijvende beperkingen en die worden voor de patiënt en diens partner soms pas duidelijk in de chronische fase. Daarom is screening en behandeling van CVA-gerelateerde problemen ook in de chronische fase van belang.
De BBT is bij uitstek geschikt voor de praktijkondersteuner die slechts af en toe mensen met een CVA ziet, omdat het een specifiek verwijsadvies per patiënt geeft en in relatief korte tijd af te nemen is, namelijk gemiddeld 20 minuten.

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen