Wetenschap

Opvattingen over werkplekbeoordelingen

0 reacties
Gepubliceerd
2 november 2017

Samenvatting

De Jonge LPJWM. Opvattingen over werkplekbeoordelingen. Huisarts Wet 2017;60(11):568-9.
De effectiviteit van een werkplekbeoordeling van een aios (arts-in-opleiding tot specialist) hangt sterk af van de manier waarop opleider, aios en instituutsbegeleider de beoordelingsinstrumenten gebruiken. Wanneer zij daar verschillende opvattingen over hebben, kan dat onder andere leiden tot spanningen tussen de betrokkenen. Een onderzoek naar de rol van opvattingen over werkplekbeoordelingen.

Inleiding

Een belangrijk onderdeel van het opleiden betreft het beoordelen van de aios in de praktijk, ook wel werkplekbeoordelen genoemd. Werkplekbeoordelingen kunnen formeel van aard zijn, zoals de Korte Praktijk Beoordeling (KPB) of Video Toets +, of minder formeel, zoals eigenlijk iedere observatie- of nabespreking van een patiëntcontact. Uit medisch-onderwijskundig onderzoek blijkt dat de effectiviteit van deze werkplekbeoordelingen niet zozeer afhangt van de kwaliteit van de beoordelingsinstrumenten of -methoden, als wel van de manier waarop de betrokkenen deze instrumenten gebruiken.1 En die hangt weer af van de opvattingen die de betrokkenen hebben over leren en beoordelen op de werkplek. Verschillen in opvattingen kunnen leiden tot verschillen in het gebruik van beoordelingsinstrumenten en tot uiteenlopende resultaten (of uitkomsten) van de beoordeling. Daarnaast kunnen verschillen in de opvattingen de acceptatie en het gebruik van feedback, en dus het leren op de werkplek, beïnvloeden. Het doel van ons onderzoek was om inzicht te krijgen in de onderliggende opvattingen over werkplekbeoordelingen bij de verschillende betrokken partijen.

Methode

Voor ons onderzoek gebruikten we Q-methodologie, een gemengd kwantitatief-kwalitatieve methode, waarbij je door het rangschikken van stellingen over een onderwerp inzicht kan verkrijgen in onderliggende opvattingen over dat onderwerp. Wij legden 48 stellingen over werkplekbeoordelingen voor aan een weloverwogen mix van 48 betrokkenen bij deze beoordelingen (opleiders, aios, instituutsbegeleiders) in de huisartsopleidingen van Maastricht en Nijmegen.
De verkregen resultaten hebben we geanalyseerd met factoranalyse, waarbij we significant correlerende clusters van opvattingen hebben onderscheiden. Deze clusters hebben we kwalitatief geduid door onderlinge overeenkomsten en verschillen te interpreteren.

Resultaten

We vonden vijf verschillende opvattingen over werkplekbeoordelen. Deze opvattingen verschilden van elkaar op twee belangrijke gebieden, zoals getoond in de [figuur]. Deze spanningsvelden staan op de assen en elk cijfer representeert een opvattingencluster. De plaats van het cijfer in het diagram geeft aan hoe we deze opvatting kunnen relateren aan de spanningsvelden op de assen.
Missing media.

Beschouwing

De resultaten laten zien dat er verschillende opvattingenclusters bestaan over werkplekbeoordelen, waarbij twee spanningsvelden bepalend zijn. Ten eerste denken de deelnemers aan ons onderzoek verschillend over de mate waarin de aios zelf zijn leerproces zou moeten sturen: wie bepaalt er wat er geleerd moet worden? Bepaalt de aios dit vooral zelf, of moet bijvoorbeeld de opleider of het opleidingsinstituut dat doen? Het tweede spanningsveld betreft de gewenste mate van standaardisering van een beoordeling. Moeten beoordelingen sterk gestandaardiseerd zijn of moeten ze aangepast zijn aan de klinische context? Het bestaan van verschillende opvattingenclusters is belangrijk voor de acceptatie en de bruikbaarheid van werkplekbeoordelingen in de opleidingspraktijk. Zo kan een zelfsturende aios met eigen leerdoelen het gebruik van een gedetailleerde, gestandaardiseerde scorelijst niet relevant of van weinig waarde vinden. Omgekeerd kan een opleider met een sterke voorkeur voor gestandaardiseerde beoordelingen het gevoel hebben dat hij belangrijke competenties niet naar behoren kan beoordelen als hij alleen vaart op het persoonlijke leerplan van de aios. Voor een effectieve beoordeling moeten opleider en aios dus overeenstemming bereiken over het doel en de wijze van beoordelen.
Daarnaast kunnen er spanningen ontstaan tussen bijvoorbeeld aios, opleider en opleidingsinstituut als zij verschillende opvattingen hebben over het doel van een beoordeling: is deze vooral bedoeld om van te leren (formatief) of juist om te bepalen of de aios aan de maat is (summatief)?
De door ons beschreven opvattingenclusters weerspiegelen actuele spanningsvelden in de medisch-onderwijskundige literatuur. Allereerst betreffen ze discussies over de mogelijkheden en beperkingen van het zelfsturend leren op de werkvloer, en de rol die toetsing daarin speelt. Het tweede spanningsveld reflecteert discussies rondom een meer psychometrische (gestandaardiseerd, reproduceerbaar) versus sociaal-constructivistische benadering van toetsen (toetsen is contextafhankelijk).
Het is overigens niet zo dat we alle gebruikers kunnen indelen in vaste ‘opvattingentypen’. Gebruikers kunnen zich herkennen in een of meer opvattingenclusters. Dat laat onverlet dat we rekening moeten houden met de verschillende gebruikersopvattingen. Zo kunnen we spanningsvelden overbruggen of ten minste expliciet maken. Dat zal de bruikbaarheid van werkplekbeoordelingen ten goede komen. Een mooi onderwerp voor het volgende leergesprek met uw aios?

Conclusie

Dit onderzoek draagt bij aan onze kennis over de rol van gebruikersopvattingen over werkplekbeoordelingen. Als we rekening houden met mogelijke verschillen in gebruikersopvattingen, kan dat de bruikbaarheid en acceptatie van werkplekbeoordelingen ten goede komen.

Literatuur

  • 1.Van der Vleuten C, Verhoeven BH. In-training assessment developments in postgraduate education in Europe. ANZ J Surg 2013;83:454-9.

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen