Nieuws

Participatieproblemen chronisch zieken en gehandicapten bespreekbaar?

0 reacties
Gepubliceerd
10 februari 2008

De Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), die in januari 2007 is ingegaan, heeft als doel om de participatie van alle burgers in de samenleving te bevorderen. Participatie verwijst naar sociale contacten en vrijetijdsbesteding, het hebben van werk of volgen van een opleiding. Het is bekend dat veel mensen met een chronische ziekte of lichamelijke beperking minder participeren dan mensen zonder ziekte of beperking. Willen chronisch zieken en gehandicapten hierover praten met hun huisarts?

Praten over sociale participatie

Bijna de helft van de chronisch zieken en gehandicapten zou inderdaad met hun huisarts willen spreken over de gevolgen van hun ziekte of beperking voor hun participatie. Zij geven aan vooral te willen praten over de impact van hun ziekte op hun vrijetijdsbesteding en sociale contacten (figuur 1). Doordat maar één op de drie mensen betaald werk heeft, en één op de vijf vrijwilligerswerk verricht, is er relatief weinig behoefte om te praten over werk. De helft van de mensen met werk wil overigens wél met hun huisarts praten over de gevolgen van hun gezondheid voor het werk. Opvallend is dat veel mensen nog andere aspecten van participatie benoemen. Zij benadrukken graag met hun huisarts te willen spreken over de impact van hun ziekte of beperking op hun dagelijks functioneren thuis, bijvoorbeeld over dagelijkse frustraties, onmacht of onzekerheid. Daarnaast zouden ook fysieke gevolgen en het toekomstperspectief aan bod mogen komen: ‘hoe verder te leven ondanks mijn ziekte?’

Vaker als de behoefte groter is

En gebeurt het ook? Niet heel vaak, zo blijkt uit figuur 2, ongeveer vier van de tien respondenten geven aan hier nooit over te spreken. Er wordt wel vaker over de impact van een ziekte of beperking op participatie gesproken als de behoefte van patiënten groter is. Bijna 80% van de mensen die hierover met hun huisarts zou willen praten, zegt dat dit soms of vaak gebeurt.

Conclusie

Voor chronisch zieken en gehandicapten is maatschappelijke participatie niet altijd vanzelfsprekend. Bijna de helft van hen wil met de huisarts spreken over de invloed van hun gezondheid op werk, vrijetijdsbesteding, sociale contacten of het dagelijks functioneren thuis. Hiermee hebben huisartsen een rol in het licht van de Wmo: door problemen bespreekbaar te maken, kunnen zij de participatie van deze groep faciliteren. Bijvoorbeeld door gerichte adviezen over ondersteuning door gemeenten (huishoudelijke hulp, woningaanpassingen, speciale sportfaciliteiten) en verwijzing naar maatschappelijk werk of de psycholoog. Gezien bovenstaande resultaten is het belangrijk dat huisartsen actief peilen in welke mate patiënten de behoefte hebben om met hen hierover te spreken.

Colofon

Het onderzoek is gebaseerd op een telefonische enquête onder leden van het Nationaal Panel Chronisch zieken en Gehandicapten (NPCG) van het NIVEL. Er werden 650 panelleden benaderd, de respons was 81%. Alleen panelleden die het afgelopen jaar bij de huisarts zijn geweest, werden gevraagd aan dit onderzoek mee te doen (n = 421). Voor meer informatie zie www.nivel.nl/npcg.

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen