Nieuws

Patiëntentaal

0 reacties
Gepubliceerd
10 maart 2002

Dit proefschrift is enkele maanden geleden veel in het nieuws geweest, vooral omdat er een relatie zou zijn tussen meer kennis over zorg en ziekte hebben en veel naar de dokter gaan. Na een uiteenzetting over de theoretische achtergronden van het begrip proto-professionalisering dat de sociologen Swaan en Brinkgreve eerder hebben geformuleerd, geeft de auteur, sociaal psycholoog, een bredere operationalisering van het begrip. Protoprofessionalisering (P) bestaat uit vier elementen:

  • sociale nabijheid van professionele hulpverleners;
  • kennis omtrent de gezondheidszorg;
  • verantwoordelijkheid voor eigen gezondheidszorg niet bij professionals leggen;
  • bereid zijn om ervaringen en problemen te bespreken met anderen in sociale netwerk.

Vervolgens wordt deze operationalisering intern gevalideerd door na te gaan bij de respondenten uit een grote steekproef uit de Gezondheidsregio Nijmegen (3245 respondenten, leeftijd 18-65, gegevens verzameld in 1983) of de vier genoemde elementen bij factoranalyse samen blijken te hangen. De factorscore levert dan de mate van P op voor elk individu. In het algemeen worden de begrippen keurig gedefinieerd en geoperationaliseerd, al heb ik mijn twijfels over de keuze voor bepaalde variabelen als maat voor een bepaald gedrag. Daarna is een aantal hypothesen getoetst om de begrippen ook ‘extern’ te valideren. Bijvoorbeeld de hypothese dat mensen uit de hulpverleningssector het hoogst op scoren op P, hetgeen inderdaad, weinig verwonderlijk, zo was. Het minst geprotoprofessionaliseerd zouden dan de zogenaamde LIBO's (lager inkomen, lager beroepsniveau, lagere opleiding) moeten zijn. En jawel: ook dat was zo. Vervolgens ging Furer na of mensen met een hoge P-score meer aan gezondheidsgedrag deden dan mensen met lage P-score: bij zes van de negen gedragingen is na multivariate analyse een positieve associatie tussen mate van P en mate van gezondheidsgedrag. Verwacht werd ook dat mensen met een hoge P-score meer aan lekenraadpleging en zelfzorgactiviteiten deden en minder ziekenrolactiviteiten hadden dan mensen met lage P-score. Een multivariate analyse toonde een gemengd beeld: bij een hoge P-score was er sprake van meer vriendenraadpleging en meer zelfzorgactiviteiten, maar er waren evenveel ziekenrolactiviteiten (verzuim, bedrust, medicijngebruik)als bij een lage P-score. Eveneens werd verwacht dat mensen met een hoge P-score een grotere lichamelijke en geestelijke gezondheid zouden rapporteren dan de mensen met een lage P-score. Helaas ook dit kwam niet uit: zowel psychische als somatische gezondheid werd subjectief als slechter ervaren door mensen met hoge P-score in vergelijking met mensen met lage P-score. Dat waren vast de worried-well, die dus even vaak een beroep op de huisarts doen als de mensen met een lage P-score. Vooral deze laatste bevinding is in diverse kranten besproken. Het is uiterst merkwaardig dat noch in het proefschrift noch in de media met geen woord gerept wordt over het feit dat alle gegevens verzameld zijn in 1983. Sindsdien is er toch wel een en ander veranderd in gezondheidszorg: GVO-activiteiten, sproetenbussen, bevolkingsonderzoeken, griepvaccinaties, een explosie van medische series en programma's op TV. Dus of dit allemaal nog waar is?

Reacties

Er zijn nog geen reacties