Nieuws

Redactioneel

Gepubliceerd
10 februari 2008

In deze H&W twee stukken over urine-incontinentie: één over het beleid van de huisarts bij ouderen en één over incontinentie tijdens de zwangerschap. Eén op de drie zwangeren heeft last van ongewild urineverlies en bij de meesten leidt dat tot beperkingen in het sociaal functioneren en soms tot gevoelens van depressiviteit en boosheid. Gelukkig gaat die incontinentie meestal vanzelf over na de bevalling. Bij ouderen met urine-incontinentie blijkt de diagnostiek van de huisarts prima en wordt de standaard keurig gevolgd. De behandeling wijkt echter vaak af van de standaard. Helaas komt de motivatie voor het gevoerde beleid niet uitvoerig aan de orde, maar de huisarts lijkt goede redenen te hebben voor zijn keuze. Er is dus sprake van gemotiveerd afwijken en dat is nu juist typisch goed huisartsgeneeskundig handelen: de huisarts stelt de behandeling vast in overleg met de patiënt, rekening houdend met diens specifieke omstandigheden. Ouderen blijken overigens niet zo snel met deze klachten naar de dokter te gaan: slechts eenderde van de patiënten met incontinentie bezocht de huisarts. Bovendien bleek een groot gedeelte van degenen die de moeite namen een vragenlijst in te vullen en de dokter te bezoeken vervolgens niet gemotiveerd om de geadviseerde oefentherapie te volgen. Uit ander onderzoek is al eens gebleken dat de motivatie van huisartsen om incontinentie bij ouderen te behandelen soms niet erg groot is; aangezien we eenzelfde houding bij een groot gedeelte van de patiënten zelf aantreffen, kunnen huisartsen daarin dus wel eens gelijk hebben. Het lijkt daarom verstandig om de behandeling goed af te stemmen op de wensen van de (goed geïnformeerde) patiënt. Mensen met verstandelijke beperkingen behoren steeds vaker tot de gewone huisartsenpopulatie. In 2001 waren in een gemiddelde huisartsenpraktijk tien mensen met een verstandelijke beperking ingeschreven. Door de vermaatschappelijking van de gehandicaptenzorg wonen zij steeds vaker in een kleinschalige voorziening, gewoon in de wijk waar een huisarts verantwoordelijk is voor de geneeskundige zorg. Maar die huisarts is niet altijd goed ingespeeld op hun behoeften. In dit nummer een artikel over de huisartsenzorg voor deze mensen. Zij blijken vaker te komen, maar grotendeels met dezelfde aandoeningen als de patiënten zonder verstandelijke beperking. Opmerkelijk is echter dat epilepsie zeer vaak voorkomt en daar zullen niet alle huisartsen op zijn voorbereid. Een tweede, misschien onverwacht, probleem bij deze patiënten is obstipatie: een op de twintig patiënten heeft daar in meer of mindere mate last van. Dit lijkt een probleem waar de huisarts misschien actief naar moet vragen. Dit artikel maakt duidelijk dat de zorg voor de patiënt met een verstandelijke beperking vaak bij de huisarts ligt, en dat hij zich daar terdege op moet voorbereiden. Niet zozeer op de diagnostiek en behandeling bij de gewone aandoeningen, waarvan sprake is in dit onderzoek, maar wel op meer complexe problematiek, zoals bijvoorbeeld psychiatrische aandoeningen. Gezien de thuissituatie en de beperkte communicatiemogelijkheden moet de huisarts een ingezette behandeling ook goed in de gaten houden en dat is iets waar huisartsen vaak minder op zijn ingespeeld. De standaard gaat toevalligerwijze over een van de meest voorkomende problemen bij mensen met een verstandelijke handicap: een schimmelinfectie van de huid. Zij komen echter niet als specifieke risicogroep in de standaard voor. Gezien de prevalentie zou daar wel reden voor zijn. De diagnostiek en behandeling zullen niet afwijken, en het is dus geen groot gemis.

Henk van Weert

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen