Wetenschap

Slachtoffers en sporadisch spreekuurbezoek

0 reacties
Gepubliceerd
10 februari 2009

Na de vuurwerkramp in Enschede deden 44 huisartsen mee aan de door het NIVEL uitgevoerde monitoring van gezondheidsklachten. Eens per kwartaal stelde het NIVEL hen op de hoogte van het zorggebruik en de morbiditeit. Daarnaast enquêteerden onderzoekers de slachtoffers zelf 3 weken en 18 maanden na de ramp. Donker en collega’s hebben beide gegevensbronnen gecombineerd, waardoor een beeld ontstaat dat zowel recht doet aan de subjectieve beleving van de slachtoffers, als aan de objectivering ervan door de behandelende huisarts.1 De auteurs zetten een groep van door de ramp getroffen patiënten met een lage contactfrequentie na de ramp af tegen de overige patiënten. De zogenaamde sporadische huisartsbezoekers onderscheiden zich onder andere door een jongere leeftijd, minder depressieve problemen en een subjectief ervaren betere gezondheid. Dit is een bekend gegeven uit de alledaagse huisartsenpraktijk. Tussen de twee groepen waren echter, tegen de verwachting in, geen verschillen in aard van de gepresenteerde psychologische problemen na de ramp. De ernst van de problemen onder meer frequente bezoekers komt dus niet tot uitdrukking in de inhoud ervan, maar in de kwantiteit, hier het aantal contacten met de huisarts. Beide groepen laten na de ramp een forse stijging in consultfrequentie zien vergeleken met de periode voorafgaand aan de ramp: de laagfrequente groep vertoont een tweevoudige stijging. De hoogfrequente bezoekers gingen bijna viermaal zo vaak naar hun huisarts als de laagfrequente groep.

Gevolgen van de ramp voor de huisarts(enpraktijk)

Op grond van deze bevindingen kunnen wij concluderen dat het aantal contacten na de ramp flink was toegenomen en dat dat gevolgen had voor de praktijkvoering. Goed luisteren naar de verhalen van de slachtoffers is de crux van een behandeling. Het is belangrijk om een gevoel van veiligheid en rust te scheppen en om verbondenheid te tonen.2 De huisarts is als vertrouwenspersoon en met zijn kennis van psychische en somatische morbiditeit bij uitstek toegerust voor deze taak. De slachtoffers kunnen na een ramp vertellen over hun herinneringen, hun gevoelens van verdriet en boosheid, en in een latere fase over hun plannen voor de toekomst. Als het slachtoffer ‘gewoon’ kan vertellen over zijn belevenissen heeft dat een positief effect op de behandeling. Het zal duidelijk zijn dat de praktijkvoering na een ramp onder druk komt te staan door de forse stijging van het aantal contacten. Zowel huisarts als assistente wordt daarmee geconfronteerd. Huisartsen en assistentes die in een rampgebied werken, kunnen ook zelf uitvallen door ziekte of verwondingen ten gevolge van de ramp. Al met al neemt de draaglast voor de praktijken toe, terwijl de draagkracht afneemt. Ook na de vuurwerkramp in Enschede was dit het geval. Vooral de huisartsenpraktijken die dicht bij het rampgebied lagen, werden geconfronteerd met een forse toename in hulpvragen. Bovendien waren enkele huisartsen en assistentes privé door de ramp getroffen, waardoor zij moeite hadden om hun werk goed en bevredigend uit te voeren.3 De huisartsen kregen tijdelijk ondersteuning, die afhing van het aantal slachtoffers in hun praktijk. Los hiervan bleek ook in Enschede hoe groot de flexibiliteit van de betrokken huisartsenpraktijken was, die gewoon verder functioneerden. De getroffen patiënten bleken na verloop van tijd, mede dankzij hun sociale netwerk, goed in staat om met hun ellende om te gaan. Ze konden gebruikmaken van mogelijkheden voor lotgenotencontact en voor de ernstiger gevallen had de plaatselijke Riagg een speciale afdeling opengesteld. In het eindrapport over de monitoring in de huisartsenpraktijk concludeerde men dat de meerderheid van de direct aan de ramp gerelateerde gezondheidsproblemen zich binnen de eerste achttien maanden voordeed. Een relatief kleine groep slachtoffers ontwikkelde chronische, rampgerelateerde problemen.4

Lessen voor de toekomst

De bevindingen van Donker et al. geven aanleiding tot de vraag of de huisarts een onderscheid moet maken tussen slachtoffers met een lage en die met een hogere contactfrequentie. Hiertegen pleit dat beide groepen een vergelijkbare stijging van de contactfrequentie en morbiditeit te zien gaven. Mensen die de huisarts gewoonlijk minder vaak bezoeken, doen dat na een ramp blijkbaar ook: het bewijs dat mensen/slachtoffers ‘heel wat kunnen hebben’. Patiënten die de huisarts al voor de ramp vaker bezochten – en zeker degenen die toen al psychische problemen hadden – vormen een risicogroep voor meer zorggebruik na de ramp. Zo leverde het onderzoeksmateriaal voor de Enschedese huisarts vooral herkenning op, maar ook verrassingen.

Literatuur

Reacties

Er zijn nog geen reacties