Nieuws

Taai ongerief…

Gepubliceerd
10 augustus 2011

Als kleine jongens werden wij in een teil gewassen; een badkamer of douche was er niet. Op zaterdag werd in een grote ketel in de keuken het water heet gestookt. Achtereenvolgens moesten er dan vijf kinderen ‘in bad’. Dat betekende dat het water voor het eerste kind gloeiend heet moest zijn, wilde er voor het laatste nog enigszins warm water overblijven. Omdat ik naar pianoles moest, was ik als eerste aan de beurt. Ik had dus altijd schoon, maar gloeiendheet water. Ik kan mij niet herinneren ooit zonder dreigementen in de teil te zijn gestapt. Na tien seconden had ik dan door eerstegraads verbrandingen vuurrode kousen aan. Na tien minuten stond ik, inmiddels van top tot teen vuurrood, weer naast de teil. Het ergste moest dan echter nog komen. Zowel mijn ondergoed als matrozenpak waren door mijn moeder eigenhandig gebreid van een naar soort schapenwol. Zestig jaar later bezorgt het typen van deze regels mij nog altijd kippenvel!

Tussen mij en hinderlijke kleding is het later nooit meer goed gekomen. Toen ik werd opgeroepen voor herhaling van de militaire dienst heb ik zo veel nachten panisch liggen woelen over die vreselijke uniformstof dat ik mij in arren moede tot de legerleiding heb gewend met de mededeling dat ik een ‘uniform-allergie’ had. Ze hadden duidelijk geen zin in gezeur, want twee dagen later al kreeg ik het verzoek de plunjezak met legerspullen retour te zenden. Verder heb ik mij vaak impopulair gemaakt door ook als dat ‘vereist’ was niet in smoking of jacquet te verschijnen. In Taai ongerief heeft Theo Thijssen de kledingellende uit zijn jeugd beeldend beschreven. Nooit heb ik mij bij het lezen van een boek zo goed begrepen gevoeld.

Bij taai ongerief zullen wij vandaag de dag niet snel meer aan ondergoed denken. Mijmerend op een mediterraan terras bedenk ik dat ik de term steeds beter vindt passen bij het ouder worden en misschien ook wel bij het vergrijzingsprobleem. Ik zie er nog altijd veel jonger uit dan mijn grootvader en mijn vader, die ik allebei in leeftijd allang ben gepasseerd. Toch word ik overal – en terecht – bij de bejaarden gerekend. En wij bejaarden worden een ernstig probleem. Er zijn nomadenstammen bij wie, als de stam aan het eind van een seizoen weer verdertrekt, ouderen bepalen of zij deze keer nog meegaan dan wel besluiten om met een weekje proviand achter te blijven en daarmee de dood onder ogen te zien. Ze willen wellicht niet dood, maar voor alles willen ze de anderen niet tot last zijn. Je moet er toch niet aan denken dat je besluit nog mee te gaan en dat je dan vanuit alle tenten van die blikken toegeworpen krijgt van: oh, jij dacht nog wel van nut te kunnen wezen? In Japan hebben bejaarden aangeboden te helpen bij het reinigen van de rampzalige kerninstallaties. Wij gaan toch dood, redeneren ze, dan kunnen we misschien nog iets betekenen voor de toekomst van onze kleinkinderen. Dat zie ik ons, Nederlandse bejaarden, nog niet zo snel zeggen!

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen