Praktijk

Tests: sensitiviteit en specificiteit

0 reacties
Gepubliceerd
4 april 2012

Praktijkprobleem: hoe goed werkt de oorthermometer?

Ouders van jonge kinderen gebruiken liever een oorthermometer dan een rectale thermometer om de temperatuur op te nemen. In de medische literatuur is er echter nogal wat discussie over de betrouwbaarheid van oorthermometers. De ‘sensitiviteit’ zou niet goed zijn. Hoe zat het ook alweer met de sensitiviteit en specificiteit van tests?

Achtergrond

Als een patiënt op het spreekuur komt, weet de huisarts meestal niet direct wat er aan de hand is. Hij probeert tot een diagnose te komen door anamnese en lichamelijk onderzoek. Daartoe doet hij ook tests. In feite is elk onderdeel van het lichamelijk onderzoek te beschouwen als een test, een ‘meetinstrument’ met specifieke testeigenschappen. De termen ‘sensitiviteit’ en ‘specificiteit’ geven aan hoe goed een test in staat is te meten wat deze moet meten.
Voor het beschrijven van testeigenschappen is de zogenaamde vierveldentabel een populair hulpmiddel [tabel 1]. De gebruikte test moet bij mensen die de aandoening hebben zoveel mogelijk een positieve uitslag geven (= sensitiviteit, A/(A+C)). Daarnaast moet de test een negatieve uitslag geven wanneer de patiënt de aandoening niet heeft (= specificiteit D/(B+D)). Het zou het mooist zijn als elke test een sensitiviteit en specificiteit van 100% heeft. Helaas is dat meestal niet zo.
De sensitiviteit en specificiteit zijn kenmerken van de test; ook wanneer de test in populaties wordt toegepast met een andere ziekteprevalentie blijven deze eigenschappen in principe dezelfde. Voor de gebruiker zijn de positief en negatief voorspellende waardes van een test belangrijke eigenschappen. Zij geven aan hoe groot de kans op ziekte is als de test positief is en hoe groot de kans op afwezigheid van ziekte is als de test negatief is. Deze testkenmerken zijn wél afhankelijk van de populatie waarin de test wordt gebruikt. Als de a-priorikans in een bepaalde populatie anders is, dan verandert de verhouding tussen A+C en B+D en verandert de voorspellende waarde van de test.
Tabel 1Vierveldentabel
  Aandoening 
  AanwezigAfwezig 
 
 
Test
 
Positief
 
Terecht positief
A
 
Fout-positief
B
 
 
A+B
 
Negatief
C
Fout-negatief
 
D
Terecht negatief
C+D
 
  A+C
‘Zieken’
 
B+D
‘Niet zieken’
A+B+C+D
 
 Sensitiviteit = (A/(A+C)) de kans dat de test een positieve uitslag geeft bij de mensen die de aandoening wel hebben. Specificiteit = (D/(B+D)) de kans dat de test een negatieve uitslag geeft bij de mensen die de aandoening niet hebben. Voorspellende waarde van een positieve testuitslag (VW+) = (A/(A+B)) wanneer de test positief is dat de patiënt de aandoening daadwerkelijk heeft. Voorspellende waarde van een negatieve testuitslag (VW-) = (D/(C+D)) wanneer de test negatief is dat de patiënt de aandoening daadwerkelijk heeft. Fout-positieve testuitslag = (B) wanneer de test positief is terwijl de patiënt de aandoening niet heeft. Fout-negatieve testuitslag = (C) wanneer de test negatief is terwijl de patiënt de aandoening wel heeft.

Uitwerking

Om te kijken hoe goed een test meet wat je wilt meten, vergelijk je die test met de beste test (de referentietest of ‘Gouden standaard’) die er voor de aandoening bestaat. Om vast te stellen hoe goed een oorthermometer koorts meet, vergelijk je deze met een rectale meting. In [tabel 2] geven we een voorbeeld van metingen bij 200 kinderen. Met de rectale meting hebben 80 kinderen koorts (temperatuur > 38oC) en 120 kinderen niet. Horizontaal staan de uitkomsten van de meting met de oorthermometer: 81 kinderen hebben koorts, 119 niet. Deze [tabel] laat zien dat er wel enige maar zeker geen volledige overeenkomst tussen beide metingen is. Hoe goed de overeenkomst is, laten de sensitiviteit (64%) en de specificiteit (95%) zien.1 In dit voorbeeld is de voorspellende waarde van een positieve testuitslag hoog (98%) en de voorspellende waarde van een negatieve testuitslag laag (47%). Bij een positieve uitslag weet je dus vrijwel zeker dat het kind koorts heeft (98% zekerheid bij een positieve testuitslag) maar bij een negatieve testuitslag is de zekerheid dat het kind géén koorts heeft veel minder (47%).
Tabel 2Vierveldentabel oorthermometer in vergelijking met ‘Gouden standaard’ rectale temperatuurmeting
  Koorts (temperatuur > 38C) met rectale meting 
  Temperatuur > 38CTemperatuur ? 38C 
 
 
Oorthermometer
 
Temperaruur > 38C
 
96
A
 
2
B
 
98
A+B
 
Temperatuur ? 38C
C
54
 
D
48
C+D
 102
  A+C
150 
B+D
50
A+B+C+D
 200
Sensitiviteit = (A/(A+C)) 96/150 = 64%. Specificiteit = (D/(B+D)) 48/50 = 95%. Voorspellende waarde van een positieve testuitslag = (A/(A+B)) 96/98 = 98%. Voorspellende waarde van een negatieve testuitslag = (D/(C+D)) 48/102 = 47%.

Betekenis

Voor de dagelijkse praktijk zijn sensitiviteit en specificiteit van een test vooral theoretisch van belang. De huisarts weet alleen de uitslag van de test die hij heeft gedaan en daar moet hij het mee doen. De voorspellende waarde van een positieve en negatieve testuitslag zijn veel relevanter.

Literatuur

  • 1.Berger MY, Boomsma LJ, Albeda FW, Dijkstra RH, Graafmans TA, Van der Laan JR, et al. NHG-Standaard Kinderen met koorts. Huisarts Wet 2008:51:287-96.

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen