Wetenschap

Toch predestinatie

Door
Gepubliceerd
10 mei 2005

Alleen al de duur van dit project dwingt bewondering af. Van der Tuin zal vele voorgangers hebben gehad. De onderzoekster zelf was net 2 jaar oud toen de dataverzameling van dit project begon. Het moet dan ook een enorme berg met data zijn: een onderzoek met 3162 kinderen geboren tussen 1975-1978 met een vervolg op 5,5 en 11 jaar. Van der Tuin onderscheidde 4 subgroepen:

  • 133 kinderen met zekere neurologische neonatale problemen;
  • een random sample (n=300) van na de bevalling normale kinderen of kinderen met milde neurologische problemen (n=293);
  • alle premature of dysmature kinderen geboren tussen 1 januari 1977 en 30 juni 1978;
  • en tot slot, alle kinderen die deelnamen aan een onderzoek waarbij ze intra-uterien waren blootgesteld aan ritodrine.
Maar daar bleef het niet bij: men heeft ook van 2900 kinderen op 20-25 jarige leeftijd gegevens verzameld; 60% (1826) reageerde op de postenquête. Van 682 kinderen zijn op alle meetmomenten de gegevens bekend, 258 werden aan een psychiatrisch interview onderworpen gestratificeerd naar Obstretric optimally scores (OOS) (in de heel slechte en heel goede groep waren de aantallen klein). De vraag van het hele onderzoek was of perinatale problemen iets voorspellen over gedrag en neurologische problemen op latere leeftijd. Als onafhankelijke variabelen gebruikte Van der Tuin: OOS, roken van de moeder, borst versus fles, geboortegewicht, Apgar-score, leeftijd moeder, burgerlijke status moeder en de sociaal-economische status van de ouders. Ze besteedt veel aandacht aan de beschrijving van de afhankelijke variabelen. Bij de kinderen op de schoolleeftijd deden de onderzoekers neurologisch onderzoek naar minor neurological dysfunction (reflexen, fijne motoriek, dyskinesie, hypertonie, et cetera) en gaven ze vragenlijsten aan ouders en leerkrachten. Op 20-25 jaar kregen de deelnemers een vragenlijst per post met de GHQ12 en SCL-90, vragen over alcohol, roken en verslaving. In de subgroep, waar alle gegevens bekend waren, namen de onderzoekers het standaard psychiatrisch onderzoek, de CIDI, af. In de verdere hoofdstukken brengt de promovenda dat allemaal met elkaar in verband. Kindertjes van moeder die roken doen het slechter op spelling- en rekentests, en ze hebben meer gedragsproblemen (externaliserend gedrag en aandachtsproblemen) dan kinderen van moeders die niet roken (gecorrigeerd voor rokende vaders en SES). Internaliserend gedrag (teruggetrokken zijn, angst) heeft met roken niks te maken, maar wel met SES en psychiatrische problemen van moeder tijdens de zwangerschap. De relaties blijken ingewikkelder want in een later hoofdstuk blijkt dat borstvoeding compenseert voor roken: er is alleen een verband tussen slechte schoolprestaties bij kinderen van rokende moeders die geen borstvoeding gaven. De leerproblemen bleken niet gerelateerd aan de MND-symptomen. Die – focale – neurologische problemen zijn wel gerelateerd aan de gedrags- en emotionele problemen. Van der Tuin speculeert dat angst en verlegenheid minder gevoelig zijn voor perinatale problemen omdat de frontale kwab – waar dat gedrag gestuurd zou worden – pas later rijpt. In hoofdstuk 6 onderzoekt ze de relatie tussen OOS en middelengebruik op latere leeftijd. Bij mannen is die relatie er wel. Bij hen is er ook een verband met emotionele problemen, maar die groep had ook op kinderleeftijd al gedragsproblemen (externaliserend gedrag). In de laatste hoofdstukken kijkt ze naar het optreden van multimorbiditeit en OOS. Bij meer optimale geboortes is er een iets lagere kans op multimorbiditeit. Je start maakt dus wel iets uit voor je latere welbevinden, maar het is ook weer niet zo dat het alles verklaart. Lang niet alle perinatale problemen zijn vermijdbaar, maar elk kind heeft bij de start recht op een optimale zorg. Het belang daarvan blijkt indirect uit dit proefschrift.

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen