Nieuws

Toys for boys (and girls)?

Gepubliceerd
8 juni 2010

Introductie van nieuwe technologie in de huisartsenpraktijk kan bijdragen aan verbetering van de zorg. Denk maar aan de glucosemeter, allerhande teststrips en de bepaling van het CRP. We behoren dan wel de testeigenschappen te weten, alsmede de indicaties en de effecten op de zorg. Maar als een apparaat eenmaal aanwezig is, hebben we de neiging het te gebruiken, ook al weten we misschien te weinig of zijn we onvoldoende geschoold.

Pulsoximetrie

Japanners vonden in de jaren zeventig van de vorige eeuw de pulsoximeter uit. Daarna vond het apparaat zijn weg via de operatiekamers en de spoedeisende hulp naar de huisartsenposten. Nu dringt het apparaat door in de reguliere praktijk waar het wordt gebruikt voor een variëteit aan diagnoses: perifere circulatiestoornissen, screenen op congenitale hartafwijkingen, longembolie, slaapapnoe en pneumonie bij ouderen. De testeigenschappen in onderzoeksomstandigheden zijn redelijk tot goed (sensitiviteit 60 tot 80%, specificiteit 80 tot 99%). Maar wat weet u van het apparaat? Wat wordt eigenlijk gemeten? Wat is nodig voor een betrouwbare en valide meting? Kent u de zuurstofdissociatiecurve nog? Meet een pulsoximeter hypoxie? Overzichtsartikelen uit 2006 en 2007 schetsen een onthutsend beeld over de kennis van dokters over pulsoximetrie. Nog niet de helft van hen weet wat hij meet. In deze H&W doen Schermer et al. verslag van een onderzoek naar het gebruik van de pulsoximeter. Huisartsen gebruikten de pulsoximeter zowel bij acute als chronische situaties, vooral bij exacerbaties, mogelijke respiratoire insufficiëntie en monitoring van COPD. Ogenschijnlijk biedt pulsoximetrie ook veel voordelen. Hypoxie is immers moeilijk in te schatten met een klinische blik en hypoxemie kan ons op het spoor zetten van respiratoire insufficiëntie bij ernstige exacerbaties en een rol spelen bij het stellen van de indicatie voor zuurstof. Afwezigheid van hypoxemie bij acuut benauwde patiënten kan ons ook helpen. We weten echter onvoldoende van de testeigenschappen van pulsoximetrie bij deze indicaties in de huisartsenpraktijk en we weten evenmin in hoeverre gebruik van een pulsoximeter bijdraagt aan het besluitvormingsproces bij de monitoring van chronische aandoeningen als COPD. Volgens eerder onderzoek zou dat bij 20 tot 40% van de patiënten het geval zijn. Schermer en collega’s hebben groot gelijk, verder onderzoek is nodig. Bovendien hebben we de neiging de indicatie voor gebruik te verbreden als een apparaat aanwezig is. Zo steeg het aantal onterechte opnames in verband met bronchiolitis door het gebruik van de pulsoximeter. Bij een lage priorkans op afwijkingen lopen we het risico op veel fout-positieven, zelfs bij een hoge specificiteit.

In de praktijk

Vast staat dat u de antwoorden op bovengenoemde vragen moet weten voordat u pulsoximetrie gebruikt. In mijn praktijk komen bijvoorbeeld veel donkere patiënten voor en ook veel mensen met hemoglobinopathieën. Dat heeft consequenties voor de interpretatie van pulsoximetrie. Een pulsoximeter meet namelijk geen hypoxie, maar de verhouding tussen met zuurstof verzadigd hemoglobine en onverzadigd hemoglobine. Dat is geen goede maat voor hypoxie bij anemie en bij een donkere huidskleur overschat de pulsoximeter de verzadiging: een dubbele vergissing treedt dan op. Schermer stelt dan ook dat pulsoximetrie een waardevolle aanvulling is, maar voegt daaraan toe ‘mits weloverwogen geïnterpreteerd’. Een oude wijsheid, maar nog steeds actueel. Henk van Weert

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen