Nieuws

Uit de speech van Wim Stalman

Gepubliceerd
10 maart 2001

Samenvatting

De scheidend voorzitter zou in zijn speech wel achterom willen kijken op zijn bestuursperiode bij het NHG, ‘hoewel dat soms even dodelijk is als een avondje vakantiedia's kijken bij je kersverse buren’. Maar de organisatoren ‘hebben mijn lichte neiging tot sentiment voorzien en mij dus gevraagd de blik op de toekomst te richten’. Stalman geeft dan ook zijn visie op de wenselijke aanpak van wetenschappelijk onderzoek in de huisartsgeneeskunde.

Hoe het ging

Toch begint Stalman zijn afscheidsrede met een terugblik op de gang van zaken tot dusver bij de planning van de wetenschappelijke agenda. Het biedt vele voordelen dat deze planning in handen ligt van wetenschappers en beleidsmakers; de programmering is hierdoor consequent en de schaarse middelen worden doelmatig ingezet. Maar er zijn niet alleen maar voordelen, zo betoogt Stalman. ‘Bij de relevantievraag van wetenschappelijk onderzoek zijn er vier invalshoeken, die van beleidsmakers, onderzoekers, de medicus practicus en de patiënt.’ Beleidsmakers hebben behoefte aan onderzoek dat hun beleid steunt. Onderzoekers willen met hun onderzoeksresultaten zo hoog mogelijk scoren. Voor de huisarts spelen echter aspecten als epidemiologie, hulpvraag en context van de patiënt, en de impact voor de patiënt een rol. En voor de patiënt zelf zijn nog zaken als bejegening, toegankelijkheid, privacy en voorlichting van belang. ‘In de relevantiebepaling van hedendaags onderzoek staan beleid, wetenschap en praktijk veel te ver van elkaar, terwijl zij elkaar wederzijds zouden moeten bevruchten’.

Hoe het moet

Stalman pleit ervoor de zes relevantiecriteria van Bouter en Knottnerus te hanteren:

  • de indicatoren voor de ziektelast;
  • de potentiële gezondheidswinst;
  • de monetaire opbrengst;
  • de onzekerheid omtrent de vraagstelling;
  • de impact van de onderzoeksresultaten;
  • de toepasbaarheid van de uitkomsten.
Naast chronische aandoeningen vormen alledaagse klachten en ziekten een groot deel van de bij de huisarts gepresenteerde klachten. ‘Deze aandoeningen zorgen niet alleen voor veel ongemak en verlies aan kwaliteit van leven, maar ook voor een hoge medische consumptie en een enorm verlies aan productieve arbeidsuren’, aldus Stalman. Deze laatste twee elementen leggen een steeds groter claim op schaarse middelen en mensen en daar is dan ook monetair profijt te halen. Waar de potentiële gezondheidswinst een rol speelt, zou het onderzoek in de huisartspraktijk zich moeten richten op determinanten voor het beloop, vroegdiagnostiek en interventies die ook de functionele toestand en kwaliteit van leven van de patiënt betreffen. De laatste drie criteria van Bouters en Knottnerus zijn lastig te voorspellen, maar het NHG-Wetenschapsbeleid heeft de eerste stap daartoe gezet, meent Stalman.

Hoe het kan

Vervolgens schetst Stalman hoe zijns inziens de elementen van de vierhoek ‘beleid, wetenschap, huisarts en patiënt’ kunnen worden samengebracht. De via het NHG-Wetenschapsbeleid geformuleerde vraagstellingen verenigen de belangen van huisarts en wetenschapper. Door de patiënt te betrekken bij het ontwikkelen van richtlijnen en toetsinstrumenten, is ook diens inbreng zekergesteld. Wat echter nog ontbreekt is een inkadering van het wetenschapsbeleid huisartsgeneeskunde en de benodigde middelen. Met de oprichting van het Fonds Alledaagse Ziekten heeft het NHG een eerste aanzet gedaan. Maar het wordt tijd voor de volgende stappen en Stalman stelt zich die voor als volgt:

  • opstelling van een research-agenda uitgaande van de hiervoor geschetste uitgangspunten, waarmee de klinische en methodologische onderzoeken kunnen worden geprioriteerd;
  • oprichting van een Programmacommissie Huisartsgeneeskunde die de research-agenda bijhoudt, het evenwicht tussen praktijk, wetenschap en beleid bewaakt en over de benodigde middelen beschikt om de research-agenda ook ten uitvoer te laten brengen.
Stalman pleit ervoor dat ZorgOnderzoek Nederland en NHG samen het initiatief nemen om de programmacommissie in het leven te roepen. Het Fonds Alledaagse Ziekten zou zijns inziens moeten worden ondergebracht bij ZON.

En waarmee het kan

Stalman vertelt hoe hij een bijdrage had willen leveren vanuit zijn uitkering van het Goodwillfonds, ‘maar Oudendijk had wel wat meer in de aanbieding! Met de nu verkregen middelen, kunnen we voortvarend aan de slag’. Hij sluit af met een uitnodiging aan de aanwezigen ‘om nog vaak van gedachten te wisselen over de huisarts en de wetenschap, maar vooral om werk te maken van wetenschap en dus de daad bij het woord te voegen!’ (AS)

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen