Nieuws

Uterovaginale prolaps: mannelijke en vrouwelijke huisartsen stellen even vaak de diagnose

Gepubliceerd
10 januari 2006

Uterovaginale prolaps komt vooral bij oudere vrouwen voor. Mannelijke en vrouwelijke huisartsen stellen even vaak de diagnose. Een op de vier patiëntes met een prolaps wordt naar een gynaecoloog verwezen.

Prolaps of verzakking is een aandoening waarbij door een verzwakking van de bekkenbodem de structuren in het kleine bekken van de vrouw lager zijn komen te liggen dan normaal. Vooral de vagina en uterus zijn daarbij betrokken, maar vaak ook blaas en urethra, soms het rectum en nog zeldzamer het peritoneum met een darmlis. Oorzaken van verminderd functioneren van de bekkenbodem zijn voor een groot deel gelegen in de obstetrische voorgeschiedenis. Ook verhoogde druk in het kleine bekken kan de oorzaak zijn van een prolaps. Daarnaast kan een prolaps optreden als complicatie na een uterusextirpatie. Vrouwen met een prolaps klagen over een ‘balgevoel’ onderin de buik, het gevoel alsof er iets uit de vagina komt, pijn in de rug of pijn tijdens de coïtus; ook kunnen zij last hebben van incontinentie. Naar de prognose is weinig onderzoek verricht, maar het is niet aannemelijk dat een prolaps spontaan verdwijnt.

Incidentie, prevalentie en verwijzing

Van de 1000 vrouwen hebben 6 een prolaps van uterus en/of vagina (figuur). Een huisarts in een normpraktijk stelt gemiddeld bij 2 vrouwen per jaar voor het eerst de diagnose prolaps. Prolaps is een probleem van de oudere vrouw. Per 1000 vrouwen van 65 jaar en ouder zijn er 24 die last hebben van een verzakking. Van alle vrouwen met een nieuw gediagnosticeerde prolaps wordt een kwart verwezen naar de gynaecoloog.

Stellen vrouwelijke huisartsen vaker de diagnose prolaps?

Het is bekend dat de gevoeligheid voor bepaalde problemen van patiënten gerelateerd is aan eigen ervaringen. Oudere vrouwelijke huisartsen bleken bijvoorbeeld vaker hormoonsuppletietherapie voor te schrijven bij overgangsklachten dan hun jonge mannelijke collega’s. In het verlengde hiervan vroegen we ons af of vrouwelijke huisartsen vaker een verzakking diagnosticeren dan mannelijke huisartsen. Van de 195 huisartsen van wie deze gegevens beschikbaar waren, is een kwart vrouw. Na correctie voor parttime werken zien we dat vrouwelijke huisartsen niet vaker prolapsklachten diagnosticeren dan hun mannelijke collega’s (tabel). Kennelijk hebben vrouwen – als zij al keus hebben – geen voorkeur voor een mannelijke of vrouwelijke huisarts wanneer bij hen voor het eerst de diagnose prolaps wordt gesteld.

Samenvattend stelt de huisarts bij gemiddeld twee vrouwen per jaar voor het eerst de diagnose prolaps. Deze vrouwen hebben een kans van één op vier om naar de gynaecoloog te worden verwezen. In de huisartsenpraktijk is bij gemiddeld zes vrouwen ooit de diagnose prolaps gesteld. De diagnose prolaps wordt even vaak door mannelijke als vrouwelijke huisartsen gesteld.

TabelAantal nieuwe gevallen van prolaps naar geslacht van de huisarts, in procenten (n=195 huisartsen)
Aandeel in werktijd Aandeel in aantal nieuwe gevallen van prolaps
Mannelijke huisartsen7978
Vrouwelijke huisartsen2122

De hier beschreven analyses zijn uitgevoerd op LINH-gegevens in het kader van de Tweede Nationale Studie naar ziekten en verrichtingen in de huisartspraktijk (www.nivel.nl/nationalestudie). LINH is een project van NIVEL, WOK, LHV en NHG. In 2001 participeerden ruim 120 huisartsenpraktijken. Zie voor meer informatie over LINH en over de hier beschreven gegevens: www.linh.nl. Reacties naar info@linh.nl.

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen