Nieuws

Vaardigheid van huisartsen voor de ‘lijkschouw’ is zinloos

Gepubliceerd
20 mei 2006

In het artikel van Reijnders De lijkschouw bij plotselinge dood (H&W 2006;49;68-71) ontbreekt een definitie van ‘lijkschouw’. De Wet op de lijkbezorging (Wodl) is een wet ter regeling van de bezorging van een lijk en de behandelend arts heeft daarin slechts de verplichting tot geven van een verklaring of onverwijld melden van ‘niet overtuigd van een natuurlijke doodsoorzaak’. Artikel 7 van die wet: ‘Hij die de schouwing heeft verricht, geeft een verklaring van overlijden af, indien hij overtuigd is, dat de dood is ingetreden ten gevolge van een natuurlijke oorzaak.’ Artikel 12 : ‘Verlof tot begraving of tot verbranding wordt niet verleend, zolang niet is overgelegd een verklaring van overlijden, afgegeven door de behandelende arts of een gemeentelijke lijkschouwer, dan wel een verklaring waaruit blijkt van geen bezwaar van de officier van justitie tegen begraving of verbranding.’ In de toelichting: ‘Wij gaan er van uit, dat de behandelend geneeskundige bij eventuele tekenen, die op een niet-natuurlijke doodsoorzaak zouden kunnen wijzen, zal weigeren een verklaring van overlijden af te geven. Wij hebben voldoende vertrouwen in de medici om het al of niet afgeven van een zodanige verklaring aan hen over te laten.’ De wet vraagt dus niet naar de feitelijke oorzaak. In de toelichting wordt ‘de behandelend arts’, ‘de overtuiging van een natuurlijke doodsoorzaak’ en ‘de schouwing’ inhoudelijk overgelaten aan de medici. Volgens jurisprudentie is de ‘behandelend arts’: ‘de arts, die krachtens zijn optreden en behandeling in staat is zo goed mogelijk te beoordelen of de doodsoorzaak een natuurlijke is geweest, hetgeen met de behandelend arts het geval is, doch niet met de arts die zonder kennis van feiten waarover de eerstgenoemde beschikt, slechts een oppervlakkig oordeel vermag te geven’. Een doelgerichte definitie van lijkschouwing voor de behandelend arts: vaststellen van de dood bij een op reeds bestaande kennis berustende overtuiging van een natuurlijke doodsoorzaak. Met een lijkschouw alléén is geen ‘overtuiging van natuurlijke doodsoorzaak’ te verkrijgen. Onvoldoende kennis betekent ‘onverwijld melden aan een gemeentelijke lijkschouwer’. Bij een plotselinge dood is het niet anders. Een lijkschouw past niet bij een behandelend arts en bij een mogelijk criminele oorzaak is recherche technisch zelfs ongewenst. Forensisch lijkschouwen is voorbehouden aan daartoe benoemde gemeentelijke lijkschouwers. Conclusie: de Wet op de lijkbezorging vraagt bij behandelend artsen niet om lijkschouwen maar om reeds bestaande kennis als fundament van de ‘lijkschouwing’. Onderzoek naar vaardigheid met betrekking tot lijkschouwen bij behandelend artsen is daarom zinloos. H.T.P. Cremers, gemeentelijk lijkschouwer

Antwoord

De geschiedenis herhaalt zich! In 2001 verschenen in het NTvG twee artikelen van Das en Van der Wal over de WLB.1,2 De heer Cremers reageerde meteen met een ingezonden stuk, waarin hij zijn bekende stokpaardjes bereed, zoals ‘wat van de behandelend arts bij zo’n lijkschouw wordt verwacht is niets meer dan het vaststellen van de dood’ en ‘bij een natuurlijk sterfgeval betekent lijkschouwing voor de behandelend arts daarom praktisch beschouwd alleen de administratieve afhandeling’. Deze dwaze standpunten werden door de auteurs schitterend en overtuigend weerlegd, onder meer met de opmerking: ‘Kortom: volgens Cremers hoeft een behandelend arts een lijk nooit te onderzoeken’. Voor de weerlegging van de ideeën van de heer Cremers verwijzen wij voor degenen die de moeite willen nemen naar het NTvG van 2001, p. 1870-2. Hoewel de heer Cremers niets nieuws naar voren brengt in zijn laatste reactie, toch nog een paar correcties opdat de lezers niet op het verkeerde been gezet worden. In de brochure van de Geneeskundige Hoofdinspectie over de WLB wordt de lijkschouw omschreven als: ‘een persoonlijk onderzoek door een bevoegd arts waarbij deze door de uitwendige schouw vaststelt óf de dood is ingetreden en zo ja, of er sprake is van een natuurlijke of een niet natuurlijke dood, dan wel of er twijfel omtrent de oorzaak mogelijk is’. Dát is duidelijke taal: niet louter vaststellen van de dood en een formuliertje invullen, maar onderzoek (vaardigheden dus), informatie verzamelen en daarna pas conclusies trekken. U.J.L. Reijnders, forensisch geneeskundige

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen