Nieuws

Van ooggetuige tot huisgenoot

Gepubliceerd
10 september 2007

In de bellettrie is de huisarts vóór alles een ooggetuige. Deze klassieke rol is gemunt door Charles Dickens. Zijn leven lang zette Dickens zich in voor maatschappelijke hervormingen en zijn belangstelling voor de geneeskunde was groot. Hij spelde The Lancet, en omgekeerd gebruikten medici fragmenten uit zijn werk als heuse casuïstiek in de medische vakbladen. In zijn romans wemelt het van de dokters. In zijn veertien belangrijkste boeken treden maar liefst zevenentwintig artsen op, waaronder een opvallend groot aantal huisartsen. Opvallend, maar niet verwonderlijk. Voor het emotioneel indringende realisme dat hij nastreefde, had Dickens een ooggetuige nodig aan de zijlijn van de samenleving. Een personage met empathie en een scherp observatievermogen. Kortom, een huisarts… Die rol blijft ook in de twintigste-eeuwse literatuur bestaan, zoals in Reis naar het einde van de nacht van Céline. De stem van dokter-verteller Ferdinand Bardamu is, anders dan bij Dickens, vrijwel voortdurend doortrokken van woede. Hij struikelt bijkans over zijn eigen staccato zinnen, zijn scepsis over wat geneeskunde vermag is enorm, en hij strooit zijn verbaal vitriool soms zelfs uit over zijn armoedige patiënten. Bardamu is een regelrechte ploert – én een goede dokter. De population at risk van dokter Bardamu ziet er in zijn eigen ogen als volgt uit.

Een goede dokter hoeft zijn vak niet bij te houden, zo lijkt het. Hoewel degelijk geschoold in Europa ziet dokter Juvenal Urbino op hoge leeftijd – 81 jaar – nog steeds patiënten in Liefde in tijden van cholera van Gabriel García Márquez. Zijn patiënten zijn louter de ‘hopeloze gevallen’, maar hij beschouwt dat als een vorm van specialisatie. Zijn grootste kracht? Het klinisch oog. Hij wist wat een zieke had, alleen op grond van diens uiterlijk. Verontrust zag deze generalist hoe in de loop der jaren de chirurgie gemeengoed werd: ‘Het ontleedmes is het grootste bewijs van de mislukking van de geneeskunde.’ Zijn afkeer van geoctrooieerde medicijnen nam allengs toe, al gold die afkeer niet voor hemzelf: iedere ochtend nam hij stiekem ‘kaliumbromide om de moed te vatten, salicylaten voor de pijn in zijn botten in tijden van regen, druppels van moederkoren tegen duizelingen en belladonna om goed te slapen. (...) Hij had ook een kamferkussentje in zijn zak, waar hij diep aan snoof als niemand hem zag, om zijn angst voor al die medicijnen door elkaar weg te nemen.’ Troostmedicatie om vage angst en onzekerheid te bezweren.

Een rolmodel-huisarts is Bruno Sachs in De ziekte van Sachs van Martin Winckler. Hij is er in de eerste plaats voor zijn patiënten. Altijd beschikbaar, altijd bereikbaar. Schier eindeloos luistert hij naar de verhalen van zijn patiënten, of de wachtkamer nou vol zit of niet. Even een recept uitschrijven als hij bij de bakker komt? Geen probleem. De eigen persoon schuift Sachs steeds verder naar de achtergrond. Maar een depressie ligt immer op de loer; zelfmoordgedachten flitsen door zijn hoofd. Hetzelfde overkomt John Sassall, dorpsdokter in het naoorlogse Engeland. John Berger verhaalt van hem in A fortunate man. Net als Bruno Sachs getuigt de praktijkvoering van Sassall van bijna totale toewijding. Hij noemt zich een ‘bevoorrecht mens’ omdat hij het patiëntenwerk ervaart als een zinvolle levensvervulling. Evenals Sachs ontkomt Sassall echter niet aan depressies. Later, veel later – de praktijk is overgenomen, de meeste patiënten zijn hem vergeten – loopt Sassall op een ochtend naar zijn badkamer en schiet een kogel door zijn hoofd.

Natuurlijk, er zijn ook slechte huisartsen. Zoals de sukkelige Charles Bovary. Maar welke man verbleekt niet naast een moordwijf als Emma? Een modern voorbeeld is huisdokter Cornelis Boon in Arjan Vissers debuutroman De laatste dagen. Hij is verslaafd, en ernstig zieken krijgen dus mondjesmaat laudanum. Boon beschouwt dit als een beloning voor het eindeloos moeten aanhoren van het gemekker van zijn patiënten. Boon is ongeschikt voor zijn vak, net als de jonge huisarts Justus uit Ons mankeert niets van Willem Jan Otten. Waar Boon minachtend is, is Justus achteloos, slordig en liefdeloos. Wanneer een vrouw aarzelt een overduidelijk geval van kindermishandeling aan te kaarten, vraagt hij niet door en doet hij niets. Boon en Justus gaan ook anderszins over de schreef: door seksuele relaties aan te gaan met vrouwelijke patiënten. De spreekkamer als erotisch mijnenveld is trouwens een populair gegeven. Ook in de indrukwekkende thriller Fataal gewicht van Esther de Man is dit een belangrijk motief. Dat seks een belangrijk onderdeel is in ziekteromans verbaast niet. Want een romancier zoekt dramatiek, en hij vindt die in seks, ziekte en in de combinatie van seks en ziekte. Evenmin is het opmerkelijk dat huisartsen blijven figureren in romans want zij staan, net als in Dickens’ tijd, altijd dicht bij hun patiënten. Soms vloeien werkelijkheid en fictie ineen. Zo zien we bekende huisartsen in I.M. van Connie Palmen en in Nee heb je! van Renate Rubinstein (de huisarts zit ‘zwijgzaam en melancholiek aan het ziekbed’). Vergeef mij dat ik hun identiteit niet onthul, op verzoek van een van hen.

Van spektakelgeneeskunde door huisartsen is in al die romans geen sprake. Zo zij al helden zijn, dan is dat juist in hun bijna-afwezigheid, vertrouwd en betrouwbaar, waarbij soms zwijgen volstaat. In de bellettrie heeft de huisarts diverse rollen, als ooggetuige, rolmodel en vertrouweling. De keerzijde van het vak zijn depressies en seksuele verlokkingen. Het zijn geen echte helden, veelal stille getuigen die zwijgzaam hun vak uitoefenen. Op een enkele sukkel na lijken het net mensen, al die huisartsen, zo verschillend zijn ze. Dat de band tussen dokter en patiënt belangrijk is, staven alle romans. Echt bijzonder wordt die band bij hoge uitzondering. Een huisarts is, altijd, een ‘bekende’ van de patiënt, die zelfs aan huis komt. Heel soms wordt hij een huisgenoot. Zo ontmoet een huisarts een hem onbekende dame op straat in Charlotte Mutsaers’ vederlicht surrealistische boek De markiezin. Het gesprek gaat merkwaardig genoeg over linzen en vooral het lekkerste recept voor lentilles de mouton. Uit dit gesprek volgen een gezamenlijke maaltijd en een jarenlange vriendschap. Maanden later: ‘Daar sta ik samen met Dok te kokkerellen in zijn keuken en en passant stelt hij dan de wonderlijkste diagnoses, zomaar met mes en vork. En geen cent hoef ik ervoor te betalen.’ Mutsaers constateert verder: ‘Huisartsen houden je niet altijd in leven, maar dat doen huisdieren ook niet en die zou je toch ook niet willen missen, voor geen geld.’ Geen slecht idee eigenlijk, een huisarts als huisdier…

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen