Nieuws

Verwijzingen naar fysiotherapie en oefentherapie

0 reacties
Gepubliceerd
10 april 2002

Het aantal door de huisarts naar de fysiotherapie verwezen patiënten is de laatste jaren redelijk stabiel: in 2000 waren dit 77 verwijzingen per 1000 patiënten (figuur 1). Ook de aantallen per leeftijdsgroep zijn tamelijk constant. Het zijn met name patiënten boven de 45 jaar die fysiotherapeutische behandeling behoeven. De enige leeftijdscategorie waar sprake lijkt te zijn van een gestage stijging in het aantal verwijzingen is die van 0-4 jaar, veelal vanwege ontwikkelingsstoornissen. Het lijkt niet aannemelijk dat de prevalentie hiervan in zo'n korte periode sterk is gestegen. Een verklaring zou kunnen liggen in een toename van het aantal kinderfysiotherapeuten, gecombineerd met een toegenomen bereidheid of geneigdheid om te verwijzen.

Oefentherapeuten Cesar en Mensendieck leggen zich met name toe op verbetering van de houding, terwijl fysiotherapeuten zich van oudsher meer bezighouden met revalidatie (‘problemen in het bewegend functioneren’). Hoewel de insteek voor de behandeling verschilt, lijken oefentherapeuten Cesar en Mensendieck en fysiotherapeuten voor een groot deel patiënten met dezelfde klachten te behandelen (figuur 2). Zeven verwijsdiagnoses uit de top-10 komen zowel bij fysiotherapie als oefentherapie voor; de eerste vier diagnoses zijn zelfs identiek. De belangrijkste verwijsdiagnose is ‘lage-rugpijn zonder uitstraling’, gevolgd door nek- en rugklachten en ‘lage-rugpijn met uitstraling’. Wel is bij fysiotherapie de spreiding in diagnoses groter. Rug- en nekproblemen maken bij oefentherapie 60% van de verwijsdiagnoses uit, bij fysiotherapie iets meer dan 40%.

Een opvallend verschil tussen beide populaties is de leeftijd. Driekwart van de patiënten van de oefentherapeuten is jonger dan 45 jaar tegenover iets minder dan de helft van de patiënten van de fysiotherapeuten.

De disciplines vissen voor een deel van de patiënten ‘in dezelfde vijver’. Voor de meest voorkomende verwijsdiagnose, lage-rugpijn, geeft de NHG-Standaard ook geen directe voorkeur aan een van de disciplines: ‘de huisarts verwijst naar een hem bekende therapeut (…)’. Onderzoek bevestigt dat de bekendheid van de huisarts met de fysiotherapeut de belangrijkste reden is om naar de fysiotherapie te verwijzen. De inhoud van de behandeling lijkt van minder belang. Het aantal verwijzingen naar de fysiotherapeut is elfmaal zo groot als het aantal naar de oefentherapeuten Cesar en Mensendieck. Omdat de verhouding oefentherapie/ fysiotherapie in 1996 nog 1 op 22 was, lijkt het er echter op dat de oefentherapeuten langzaamaan terrein winnen. Het aantal verwijzingen naar de oefentherapie is harder gestegen dan op grond van de toename van het aantal therapeuten was te verwachten. Dus, óf de bekendheid van de huisarts met de oefentherapie neemt toe óf de geneigdheid naar deze discipline te verwijzen.

De hier beschreven analyses zijn uitgevoerd op LINH-gegevens. LINH is een project van WOK, NIVEL, LHV en NHG. In 2001 participeerden ruim 120 huisartsenpraktijken. Zie voor meer informatie over LINH en over de hier beschreven gegevens www.linh.nl. Reacties naar info@linh.nl.

Reacties

Er zijn nog geen reacties