Nieuws

Wachten

0 reacties
Gepubliceerd
10 september 2007

Al jaren heb ik geen huisarts. Nou ja, ik sta wel bij een huisarts ingeschreven, maar ik ga nooit bij hem langs. Hij komt trouwens ook niet bij mij over de vloer. Ik ben zo’n type dat bij het geringste pijntje een medicus aan zijn bed verwacht. Maar die tijden liggen lang achter ons. De enige die aan mijn bed verschijnt, is mijn vrouw die zegt dat ik me niet moet aanstellen.

Zij heeft overigens wel een huisarts waar ze regelmatig komt. Ze is altijd vol lof over hem. Dat doet me deugd. Het is namelijk ook mijn huisarts, en ik ben één keer bij hem geweest, om me in te schrijven als patiënt. Dat was een prettig gesprek, inderdaad. Maar daarna ben ik dus nooit meer geweest. Niet bij gebrek aan kwalen, maar omdat ik zo’n hekel aan wachtkamers heb. Dat is een probleem waar je maar zelden over hoort. Er is ook geen oplossing voor. Er is altijd iemand voor je aan de beurt, en je moet altijd wachten.

C’est la vie.

Maar intussen moet je er wel mee kunnen omgaan. En dat kan ik niet. Er moet toch ergens een cursus te volgen zijn, of een therapie. Maar nee, bij sommige dingen in het leven moet je je gewoon kunnen neerleggen. Wie het zo verzonnen heeft, weet ik niet. Is er geen medicijn voor?

Mijn vorige huisarts was een aardige man. Ik zie hem vaak door de stad fietsen. Hij heeft dan zijn dokterstas niet bij zich, dus hij heeft vrij. Hij maakt altijd een wat verwarde indruk, maar hij heeft ook wel iets guitigs. Je ziet dat hij goed in het leven staat. Hij kan relativeren, heeft humor en kijkt verder dan zijn beroepsneus lang is. Bij hem heb ik dat wachtprobleem opgelopen.

Ik weet nog goed: een van de eerste keren dat ik bij hem langsging, kwam ik in een volle wachtkamer terecht. Buiten regende het, en binnen hing de geur van natte jassen. Naast me zat een oude man met een jampot urine op schoot, aan de overkant een moeder met twee jengelende kinderen. Er gebeurde niets. Dat wil zeggen: nooit ging de deur open naar de spreekkamer. Was de dokter er eigenlijk wel?

Uiteindelijk was ik het die aan de assistente ging vragen hoe lang het nog ging duren. Ik moest tenslotte naar mijn werk. ‘Ooh’, zei ze, ‘de dokter is weggeroepen naar een sterfgeval. Het kan wel even duren.’ Ik zweer het, dit zei de assistente. Ik haastte me terug naar de wachtkamer en herhaalde haar woorden. De meeste wachtenden stonden op en werkten zich zuchtend in hun natte jassen. Maar de man met de jampot bleef zitten. Hij had alle tijd, en daarbij: nu waren er geen wachtenden meer voor hem.

Later ging de huisarts over op een ander systeem. We kregen thuis een brief. Het spreekuur was afgeschaft, voortaan kon hij alleen op afspraak worden bezocht. Dat leek me de oplossing voor het wachtprobleem, en ik maakte meteen een afspraak, al had ik niets. Inderdaad was het rustig in de wachtkamer. Alleen de oude man met de jampot zat er. Nadat we tien minuten zwijgend naast elkaar hadden gezeten, opende hij zijn mond. ‘De dokter is net weggeroepen’, zei hij, ‘voor een spoedgeval.’

Tsja, daar zaten we dan.

Weer een jaar later kreeg ik ruzie met mijn huisarts, en dat was het moment om naar een ander om te kijken. Mijn vrouw vond hem, onze huidige huisarts, waar ik dus, op het intakegesprek na, nooit ben geweest. Ik zie hem nooit door de stad fietsen, sterker: ik ben vergeten hoe hij er ook alweer uitziet. Dat op zichzelf vind ik een prettig idee: ergens in de onbestuurbare kluwen van onze maatschappij bevindt zich een gezichtsloos maar toegewijd persoon bij wie ik kan aankloppen als de nood aan de man komt. Hopelijk hoef ik niet te wachten als het zover is. En hoop doet leven, gelukkig.

Reacties

Er zijn nog geen reacties