Praktijk

Wat mag wel en wat niet?

0 reacties
Gepubliceerd
10 december 2006

Samenvatting

Artsen en hulpverleners verkeren bij uitstek in een positie om huiselijk geweld te signaleren, bespreekbaar te maken of erger te voorkomen. De gevolgen ervan zijn vaak ernstig: lichamelijk letsel, psychische schade en in tientallen gevallen per jaar een dodelijke afloop. De huisarts zal een vermoeden van mishandeling dan ook vaak willen melden, maar stuit daarbij op zijn beroepsgeheim. Dit artikel gaat over de juridische vragen die aan de orde komen wanneer informatie over een patiënt aan derden wordt gegeven.

Doorbreken van het beroepsgeheim

Het beroepsgeheim betreft álles wat de arts over de patiënt te weten komt, dus ook niet-medische aangelegenheden en zaken die de arts buiten de patiënt om verneemt. Echter, iedere Nederlander is verplicht informatie te verstrekken als de waarheidsvinding vooropstaat, bijvoorbeeld als hij wordt opgeroepen als getuige. Een arts kan zich dan beroepen op het verschoningsrecht. De rechter zal per situatie en soms per vraag beoordelen of de arts dit recht toekomt. Zwijgplicht en verschoningsrecht vormen samen het beroepsgeheim. Soms zal een arts het zwijgen moeten of willen doorbreken. Daarom zijn juridische regels ter bescherming van het beroepsgeheim ontwikkeld. In de volgende situaties kan een arts zonder juridische risico’s informatie over een patiënt aan derden geven:

  • Wanneer er een wettelijke plicht is tot het verstrekken van gegevens. Voorbeelden zijn te vinden in de bepalingen in de Wet op de lijkbezorging en de Infectieziektenwet.
  • Wanneer de patiënt toestemming geeft. Het best is een schriftelijke toestemming waarin het doel van het verstrekken van de informatie staat vermeld. Als de patiënt (of bijvoorbeeld zijn advocaat) toestemming geeft voor het verstrekken van informatie aan derden of het openbaar maken van gegevens aan politie/justitie, is de arts niet gehouden aan zijn beroepsgeheim.
  • Wanneer er voor de arts sprake is van een conflict van plichten. Bijvoorbeeld als door de zwijgplicht een ander zwaarwegend belang in gevaar komt (iemands leven of gezondheid). Als door het informeren van politie/justitie mogelijk een acuut en direct gevaar kan worden voorkomen, moet de arts kiezen tussen het handhaven van het beroepsgeheim en het nastreven van dat andere belang. De Hoge Raad heeft in diverse uitspraken overwogen dat de arts in zo’n geval de zwijgplicht mag doorbreken. Wel moet de arts zich daarbij eerst de volgende vragen stellen:
  • Is het mogelijk toestemming aan de patiënt te vragen?
  • Kan de patiënt het probleem zelf oplossen?
  • Is er een reëel risico op acuut en direct gevaar?
  • Wordt het risico daadwerkelijk weggenomen door politie/justitie te informeren?
  • Is er geen andere weg om de dreiging weg te nemen?
  • Is er een redelijke verhouding tussen middel en doel?
Doorbreking van het beroepsgeheim wegens een conflict van plichten is vooral geoorloofd in situaties waarin direct gevaar als gevolg van strafbaar handelen kan worden afgewend door ingrijpen van de arts. Denk hierbij aan de melding van (een vermoeden van) kindermishandeling bij het AMK, de politie of de Raad voor de Kinderbescherming. De dreiging voor de patiënt of een ander moet reëel zijn en niet op een andere, minder ingrijpende wijze afgewend kunnen worden.

Kindermishandeling en het AMK

Uitgangspunt van de KNMG-Meldcode is dat een arts (vermoedens van) kindermishandeling meldt bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK). De doorbreking van het beroepsgeheim wordt in deze gevallen gerechtvaardigd door het conflict van plichten waarin de arts verkeert. Is er echter sprake van een (ernstig vermoeden van een) acute en ernstige bedreigende situatie voor het kind dat onmiddellijk ingrijpen met een kinderbeschermingsmaatregel vereist, dan kan de arts ook melding doen bij de Raad voor de Kinderbescherming. Er is geen landelijk nummer. De arts belt de dichtstbijzijnde vestiging (zie www.kinderbescherming.nl). Dit geldt ook als het AMK niet bereikbaar is of niet adequaat reageert. De bureaus van het AMK zijn dag en nacht bereikbaar, tel. 0900-1231230.

Wat mag wel en niet?

Als een arts besluit om de politie te informeren, moet hij zijn beroepsgeheim zo min mogelijk schenden, dus niet meer gegevens verstrekken dan strikt noodzakelijk is. Ook hierbij is het beter de informatie zoveel mogelijk te beperken tot feitelijke gegevens, dus geen vermoedens of interpretaties. Om later te kunnen teruglezen waarom de informatie is gegeven, kan het verstandig zijn om van de afwegingen een aantekening in het medisch dossier te maken. Een aantal voorbeelden waarin de zwijgplicht kan worden doorbroken zijn:

  • Een patiënt vertelt zijn psychiater dat hij zijn ex gaat opzoeken en dat er rake klappen zullen vallen. Als de arts (mogelijk) kan voorkomen dat zoiets gebeurt, mag hij de politie informeren.
  • Een stomdronken patiënt wil na een nachtelijk bezoek aan de huisartsenpost op zijn motor stappen. Als zijn veiligheid en die van andere weggebruikers alleen kan worden gegarandeerd door de politie in te schakelen, mag de arts dat doen.
  • Een patiënt brengt de arts op de hoogte van zijn voornemen een bom tot ontploffing te brengen/een moord te plegen/een kind te ontvoeren. Als de arts (mogelijk) kan voorkomen dat er slachtoffers vallen, mag hij de politie informeren.
  • Een kinderarts constateert bij een baby van een halfjaar het ‘shaken-baby syndrome’. Pratend met de ouders wordt duidelijk dat de vader hiervoor verantwoordelijk is. Als de arts de vader een direct gevaar acht voor de baby of andere kinderen, mag hij melding doen bij het AMK of de Raad voor de Kinderbescherming.
Bedenk dat, als strafrechtelijke waarheidsvinding en medische hulpverlening om voorrang strijden, in de rechtspraak als regel het laatste belang prevaleert.

Subsidiariteit en proportionaliteit

Bij de besluitvorming om het beroepsgeheim wel of niet te doorbreken, dient de arts de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit te betrekken. Subsidiariteit betekent dat de arts zich moet afvragen of de veiligheid van het slachtoffer ook op minder ingrijpende wijze kan worden beschermd dan door de politie in te lichten. Zo ja, dan moet hij kiezen voor het minder ingrijpende alternatief. Als direct gevaar (een acute en levensbedreigende situatie) alleen kan worden afgewend door schending van het beroepsgeheim, dan is dat toegestaan. Proportionaliteit betekent dat de schade als gevolg van de schending van het beroepsgeheim in verhouding moet staan tot het voordeel daarvan. Als het inschatten van dat voordeel lastig is, kan vertrouwelijk overleg worden gepleegd met een collega of met de artseninfolijn van de KNMG.

Beslissing en handhaving

Het is niet de politie, rechter(-commissaris) of officier van justitie, maar de arts zelf die beslist of hij het beroepsgeheim handhaaft of niet. Hij maakt daartoe een afweging tussen de belangen van het beroepsgeheim en de belangen die daardoor in het gedrang komen. Alleen als de arts een kennelijk onredelijke afweging maakt, zal een rechter diens beslissing overrulen. Bij opzettelijke schending van het beroepsgeheim vindt strafrechtelijke vervolging van de arts alleen plaats als de getroffen persoon aangifte doet bij de politie, er voldoende bewijs is en het OM vervolging opportuun acht. Het kan ook leiden tot een tuchtrechtelijke maatregel of – bij schade - tot civielrechtelijke aansprakelijkheidsstelling. De kans is zeer klein dat een arts wordt veroordeeld voor het ten onrechte vasthouden aan het beroepsgeheim.

Verschoningsrecht aan de arts

Het verschoningsrecht is voorbehouden aan beroepsbeoefenaren voor wie het essentieel is dat zij een beroepsgeheim hebben: hulpverleners, artsen, advocaten et cetera. Het geeft de arts het recht zich te ‘verschonen van’ het afleggen van een getuigenis. Deze beslissing neemt hij zelf. De rechter zal het beroep op het verschoningsrecht respecteren zolang voldoende duidelijk is dat de arts de vragen niet kan beantwoorden zonder zijn beroepsgeheim te doorbreken. Geeft de patiënt toestemming om een verklaring af te leggen, dan verplicht dit de arts niet om te spreken. De patiënt gaat niet over het verschoningsrecht; dat is een recht dat de arts zelf mag uitoefenen. De achtergrond hiervan ligt in het begrip ‘silence significatif’: de arts zou, als hij alleen zou spreken wanneer dit in het voordeel van de patiënt is, door zich te beroepen op het verschoningsrecht de indruk wekken iets achter te houden. Formeel geldt het verschoningsrecht alleen tegenover de rechter en de rechter-commissaris. Maar omdat informatie die een arts aan een agent geeft in de rechtzaal kan worden gebruikt, kan de arts het verschoningsrecht ook daarbij inroepen. Anders dan zou het verschoningsrecht tegenover de rechter immers zinloos zijn.

Afgeleid beroepsgeheim

Ook verpleegkundigen en paramedisch beroepsbeoefenaren hebben een eigen, uit de aard van hun beroep voortvloeiend beroepsgeheim. Anderen hebben dat niet: assistentes, portiers, receptionistes, secretaresses, co-assistenten, fysici, biomedici, vrijwilligers, stagiaires en telefonistes. Voor allen die geen eigen beroepsgeheim hebben maar wel beroepsmatig op de hoogte raken van behandelingsgegevens van de patiënt, geldt een afgeleid beroepsgeheim. Als politie/justitie hen benadert, gelden voor hen dezelfde regels als voor artsen. Dit omdat het beroepsgeheim van de arts zinloos zou zijn als de politie de informatie van een ander kan krijgen. Bepalingen hierover zijn opgenomen in de toepasselijke CAO’s.

Kort op een rij

Voorop staat altijd het handhaven van het beroepsgeheim: de arts verstrekt geen informatie over zijn patiënt. Er zijn echter situaties waarin het doorbreken van het zwijgen is toegestaan. Dat kan zeker in beeld komen als de huisarts vermoedt dat er sprake is van geweld binnen het gezin. Als dit vermoeden met het slachtoffer kan worden besproken, kan ook aan de orde komen in hoeverre het slachtoffer toestemming geeft om het zwijgen ten opzichte van derden te doorbreken. Kan het vermoeden om allerlei redenen niet met het slachtoffer zelf besproken worden, dan is er na afweging van de verschillende vragen mogelijk sprake van een conflict van plichten en kan de arts het AMK, justitie of anderen inschakelen. Voor wie over dit onderwerp meer wil weten: het NIZW heeft hierover uitgegeven Samenwerking en beroepsgeheim, juridische mogelijkheden voor het uitwisselen van gegevens bij de aanpak van huiselijk geweld (zie www.nizw.nl). Ook de KNMG heeft een aantal publicaties over dit onderwerp: Consult Arts en politie en justitie, Consult De dokter en de dood, Richtlijnen inzake het omgaan met medische gegevens en Handreiking beroepsgeheim en politie/justitie (zie www.knmg.nl).

Jannie Hommes, advocaat in Rotterdam

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen