Nieuws

Wetenschappers, perswetenschap

Gepubliceerd
5 november 2014
Over samenwerking gesproken – vraag niet wat de pers voor u kan doen, vraag wat u voor de pers kunt doen. Vrijwel alle onderzoekers zien de gang naar de pers als een soort eenrichtingsverkeer: zij hebben iets bedacht, uitgevonden of ontdekt, en het is aan de massamedia deze prachtvondst wereldkundig te maken. En als de journalist belt, weren ze zich kranig door het allemaal nog eens op dicteersnelheid uit te leggen.
Een mooie gelegenheid om het hier te hebben over de mogelijkheid tegen die stroom in te gaan – of in ieder geval over manieren om andere kanalen uit de diepen in de communicatie met de pers.
De meeste onderzoekers erkennen dat er ook verkeer mogelijk is van pers naar wetenschap. Zelfs op hun eigen vakgebied willen ze nog wel eens nieuwtjes en wetenswaardigheden uit de krant halen. Een aardig ‘natuurlijk experiment’ deed zich voor in 1978, toen de New York Times twaalf weken niet verscheen door een staking in de drukkerij. De journalisten maakten trouwhartig wel elke dag een ‘edition of record’, maar die werd niet verspreid. Oorspronkelijke artikelen die tijdens de staking in de New England Journal of Medicine werden gepubliceerd en waaraan dus weinig ruchtbaarheid werd gegeven, kregen nog tot tien jaar na dato beduidend minder citaties dan soortgelijke artikelen uit de rest van de jaargang. Een jaar na de staking scheelde het 73 procent.1
Kranten zijn belangrijk, ook voor huisarts en wetenschapper. Maar in het kader van het thema, samenwerking, is het wellicht goed erop te wijzen dat die wisselwerking meer kan omvatten dan alleen het op het juiste moment op de juiste hoogte brengen van de pers.
Laten we eerlijk zijn: aan nieuws hebben we, ten eerste, geen gebrek. Wij wetenschapsjournalisten worden werkelijk doodgegooid met persberichten van universiteiten, tijdschriften, instanties en belangengroepen – onze embarras du choix blijkt wel uit het feit dat de Volkskrant en NRC Handelsblad zelden hetzelfde wetenschapsnieuws op de pagina’s hebben. Dat keuzeprobleem biedt echter ook mogelijkheden tot samenwerking. Waar wij hulp bij zouden kunnen gebruiken, is het bepalen van de portee van het nieuws: is dit nu echt belangrijk, of is het meer een aardigheidje of, erger nog, een beetje nep? De kwaliteit van wetenschappelijk nieuws (is het wat, waar is het gepubliceerd, door welke groep, wat ging eraan vooraf) is vaak moeilijker te bepalen dan de bruto nieuwswaarde. Ervaren journalisten hebben wel een netwerk van deskundigen bij wie ze hun licht even kunnen opsteken, maar dat kan nooit groot en deskundig genoeg zijn. Ideaal zou het zijn als we wetenschappers wat vaker zouden kunnen inschakelen voor de eerste post-publication peerreview – desnoods, zoals tegenwoordig ook in de wetenschap gebruikelijk wordt, anoniem. Nog idealer zou het zijn als wetenschappers zelf wat vaker waarschuwen dat er echt mooi of raar nieuws zit aan te komen.
Een tweede communicatiekanaal dat kan worden geopend, is de kritiek. Journalisten vinden zichzelf redelijk accuraat, maar dat komt omdat ze zelden gecorrigeerd worden. Ik kan mijzelf bijvoorbeeld erg opwinden over het feit dat niemand de moeite heeft genomen mij te wijzen op blunders in mijn vorige columns. Zo blijf ik steeds dezelfde fouten maken. Ik zou ervoor willen pleiten dat wetenschappers vaker de pen ter hand nemen om journalisten op de vingers te tikken (discreet en niet te hard, uiteraard) om ze even de juiste stand van de wetenschap of de correcte medische term bij te brengen. Nog idealer zou het weer zijn als wetenschappers aanbieden een knoop in het netwerk te worden: ‘Als je nog eens vragen hebt, kun je me altijd bellen.’ Nogmaals, er zijn wel onderzoekers die al zo boud zijn, maar een journalist wil altijd meer betrouwbare bronnen.
En helemaal ideaal zou het wat mij betreft zijn als onderzoekers hun kritiek op wetenschap in het nieuws vaker met journalisten delen. Het gebeurt nogal eens dat ik pas als het grote nieuws geen nieuws meer is in veilige wandelgangen verneem dat iedereen behalve de pers wist dat er toch wel een en ander schortte aan het protocol, aan de interimanalyse of aan de keuze van de eindpunten. Het zou direct de lucht uit veel hypes hebben gehaald als wij wat eerder op dat soort dingen geattendeerd waren geweest.
Wetenschap en journalistiek zijn intermenselijke processen, waarin samenwerking (en concurrentie, en wantrouwen) een grote rol spelen. Wie werkelijk vindt dat de wetenschapsjournalistiek wel wat beter kan, moet niet afwachten tot er een journalist belt. Die gaat actief de samenwerking en de confrontatie aan. Het is een investering, het kost tijd en vrienden,2 maar het is het waard. Al was het maar omdat, tegen de tijd dat uw eigen artikel klaar is, u voor uw journalist geen volslagen onbekende onderzoeker met weer een nieuwe prachtvondst bent.
Hans van Maanen
Hans van Maanen is wetenschapsjournalist.

Literatuur

  • 1.Phillips DP, Kanter EJ, Bednarczyk B, Tastad PL. Importance of the lay press in the transmission of medical knowledge to the scientific community. N Engl J Med 1991;325:1180-3.
  • 2.Sackett DL, Brian Haynes R, Guyatt GH, Tugwell P. Dealing with the media. J Clin Epidemiol 2006;59:907-13.

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen