Praktijk

Zelfzorg en educatie

Gepubliceerd
10 augustus 2001

Kosten en effecten van een self-managementprogramma bij volwassenen met astma

T.R.J. Schermer. Universitair Medisch Centrum St Radboud, Vakgroep Huisartsgeneeskunde, Nijmegen

Inleiding Self-management is een eigentijdse behandelingsvorm voor volwassen astmapatiënten. Ofschoon de klinische effectiviteit van astma self-management veelvuldig is onderzocht, zijn studies schaars waarin zowel effectiviteit als kosten gelijktijdig zijn geëvalueerd. Onze hypothese bij dit onderzoek was dat toepassing van astma selfmanagement de stabiliteit van de aandoening niet negatief beïnvloedt en de kosten lager zouden zijn in verhouding tot de gangbare astmazorg. Methode In een gerandomiseerd experiment werden self-management (SM) en gangbare astmazorg volgens de NHG-Standaard ( usual care, UC) met elkaar vergeleken. Negentien huisartspraktijken werden gerandomiseerd, 193 astmapatiënten (98 SM, 95 UC) ingesloten en twee jaar gevolgd. Patiëntspecifieke kostengegevens werden verzameld, utiliteiten en andere effectmaten (onder andere kwaliteit van leven, longfunctie) halfjaarlijks gemeten. Deelnemers hielden tevens dagboekjes bij. Incrementele kosten (‘meerkosten’) per Quality-Adjusted Life Year (QALY) en Successfully-Treated-Week (STW) werden berekend. Resultaten Het aantal gewonnen QALY's verschilde niet tussen de twee groepen. SM-patiënten rapporteerden gemiddeld 81 (95%-CI: 78, 84) STW's, UC-patiënten 75 STW's (95%-CI: 72, 78). De totale kosten bedroegen €1084,- (95%-CI 938, 1228) voor SM en €1097,- (95%-CI: 933, 1260) voor UC. SM-patiënten consumeerden 1680 (1538, 1822) puffs budesonide, UC-patiënten 1897 (95%-CI: 1679, 2115). De gemiddelde kosten van dagen met door astma gelimiteerde activiteiten (‘indirecte kosten’) waren €213,- lager voor SM. Indien zowel de directe als de indirecte kosten in de analyse werden betrokken, ‘domineerde’ SM boven UC (SM effectiever én goedkoper) op alle bestudeerde uitkomstmaten. Evaluatie Wij concluderen dat self-management bij volwassen astmapatiënten een veilige en efficiënte alternatieve behandelingsvorm is in vergelijking met de gangbare eerstelijns astmazorg.

Verminderen van onderhoudsdosis van zuurremmende middelen bij H. pylori-negatieve patiënten met chronische dyspepsie

G.J.B. Hurenkamp, H.G.L.M. Grund-meijer, A. van der Ende, G.N.J. Tytgat, W.J.J. Assendelft, R.W.M. van der Hulst. Academisch Medisch Centrum, afdeling Huisartsgeneeskunde, Amsterdam

Inleiding Onderhoudstherapie van zuurremmers (ZR's) komt veel voor. Doel van deze studie is te onderzoeken of dit chronisch gebruik van ZR's is te verminderen bij H. pylori-negatieve dyspeptische patiënten. De relatie met een afbouw ondersteund door de huisarts, met de endoscopische diagnose en met het soort onderhoudsZR, is nader geanalyseerd. Methode Van 48 huisartspraktijken werden H. pylori-negatieve patiënten op onderhoudstherapie-ZR met endoscopisch negatieve dyspepsie, ofwel met een milde vorm van refluxziekte, geïncludeerd. Patiënten werden gerandomiseerd in twee groepen: afbouw van ZR's met ondersteuning van de huisarts (HA+) of zonder ondersteuning (HA-). Eindmaten: ZR-vrije interval, dagelijks ‘zo nodig’ gebruik van ZR en antacida gedurende 24 weken. Resultaten De gemiddelde dagelijkse dosis ZR per patiënt (n=174) aan het begin van het onderzoek nam af met 71% van 2,24 eenheden ZR tot 0,64 (p2RA-gebruikers stopte 57% (45/79) en van de protonpompremmergebruikers stopte 25% (24/95) met ZR's. Beschouwing Het advies aan H. pylori-negatieve patiënten op onderhoudstherapie ZR om de ZR's langzaam af te bouwen, ondersteund met antacida, kan voldoende zijn om langdurig het gebruik van ZR's te staken. Afbouw van ZR's heeft meer succes bij H 2RA- dan bij protonpompremmergebruikers.

Een nieuwe aanpak van therapietrouw: een gecontroleerde studie naar de invloed van arts-patiëntcommunicatie bij hypertensiepatiënten

N.C.M. Theunissen. Universiteit Utrecht, afdeling Gezondheidspsychologie, Utrecht

Inleiding Veelal wordt verondersteld dat onkunde en onwil van de patiënt therapieontrouw veroorzaken, en vaak blijft therapieontrouw onbesproken. Mogelijk zullen patiënten eerder geneigd zijn behandelingsadviezen op te volgen als de huisarts ziekte-ideeën en routinematig gedrag op systematische wijze met de patiënt bespreekt. Methode Honderdtien patiënten met essentiële hypertensie zonder comorbiditeit werden aselect toegewezen aan drie typen consulten van 15 minuten. Tien HAIO's hielden ieder vier reguliere hypertensieconsulten. Daarna werden ze aselect over twee groepen verdeeld voor een training in Conditie 1 (bespreken van ziekte-ideeën) of in Conditie 2 (bespreken van dagelijkse routines). Elke HAIO hield vervolgens zeven consulten volgens de getrainde methode. Vooraf, na afloop en een maand na het gesprek vulden patiënten vragenlijsten in over ziekte-ideeën, gedragsroutines en therapietrouw. Resultaat Volgens video-observaties hadden de trainingen het beoogde effect: in Conditie 1 werd meer over de ziekte-ideeën gesproken en in Conditie 2 meer over dagelijkse routines. Conditie-1-gesprekken werden het meest gewaardeerd door de patiënten. Vlak na de gesprekken bleken patiënten uit de experimentele condities zich beter te realiseren dat hypertensie en de behandeling daarvan complex zijn. Een maand na de gesprekken rapporteerden patiënten uit Conditie 2 vaker de intentie daadwerkelijk iets aan de hypertensie te doen. Beschouwing Beide typen nieuwe gesprekken bleken goed uitvoerbaar en hadden elk hun voordelen. Een combinatie zou de huisarts bruikbaar gereedschap geven voor het verhogen van het therapiebewustzijn van de patiënt.

Het effect van voorlichting over alledaagse klachten op het zelfzorggedrag en de zorgvraag van Turkse en Nederlandse patiënten in een achterstandswijk

A.M.C. Plass, D.R.M. Timmermans, G. van der Wal. Afdeling Huisartsgeneeskunde en Instituut voor Extramuraal Geneeskundig Onderzoek, Vrije Universiteit Medisch Centrum, Amsterdam

Inleiding Teneinde de zelfredzaamheid van patiënten te vergroten wordt in Den Haag door een aantal huisartsen het boekje Tips voor de Thuisdokter uitgedeeld aan patiënten. In het boekje worden twaalf veelvoorkomende klachten beschreven, begeleid door tips over wat men zelf kan doen aan de klachten en advies over wanneer men naar de huisarts moet gaan. In dit onderzoek is nagegaan of het uitdelen van het boekje Tips voor deThuisdokter tot meer zelfredzaamheid van patiënten leidt. Daarbij is gebruikgemaakt van het model van gepland gedrag van Ajzen. Daarnaast werd gekeken of er verschillen zijn in het effect van de interventie en zelfzorggedrag tussen autochtone en allochtone (Turkse) bewoners van een achterstandswijk. Methode Het effect van de interventie werd gemeten door patiënten die het boekje van de huisarts ontvingen, meerdere keren te interviewen in de eigen taal. Daarbij was er sprake van één pre-test en twee posttests (een half jaar en een jaar na de interventie). Door middel van een gestructureerd interview werden onder andere attitude, sociale norm en waargenomen gedragscontrole ten aanzien van zelfzorggedrag herhaaldelijk gemeten. In totaal werden 120 Nederlandse en 120 Turkse patiënten geïnterviewd. Resultaten Een jaar nadat de patiënten het boekje van hun huisarts kregen, rapporteerden zij significant minder de huisarts te hebben geconsulteerd dan daarvoor (F(2, 232)=14,9; pConclusie Voorlichting over alledaagse klachten door de huisarts kan leiden tot een afname van het aantal consulten ten behoeve van alledaagse klachten. Dit geldt vooral voor gezinnen met jonge kinderen en patiënten die de huisarts vaker dan zes keer per jaar consulteren.

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen