Wetenschap

Zieke dokters anno 1998

0 reacties
Gepubliceerd
10 januari 2002

Samenvatting

Inleiding Hebben meer huisartsen dan in 1984 een eigen huisarts en maken zij daar dan ook gebruik van? In hoeverre behandelen ze zichzelf en hun gezinsleden? Methode In juni 1998 werd aan een aselecte steekproef van 300 huisartsen een schriftelijke gestructureerde vragenlijst toegestuurd. Resultaten De respons was 62%. Hoewel veel meer huisartsen (en hun gezinsleden) een eigen huisarts hadden, werd deze maar zelden geconsulteerd. Met name jonge, vrouwelijke huisartsen hadden een eigen huisarts. Veel voorkomende klachten werden zelf behandeld, en medicijngebruik vond veelvuldig op eigen voorschrift plaats. BeschouwingEr lijkt sprake te zijn van een trend naar minder zelfbehandeling, waarbij huisartsen minder geneigd zijn tot zelfdiagnostiek en -behandeling, en minder snel overgaan tot behandeling van hun gezinsleden.

Inleiding

Huisartsen konden zich maar moeilijk als patiënt gedragen, schreef Lens in 1984. Ze hadden vaak geen eigen huisarts en dat gold ook voor hun gezinsleden. 1 Ook elders werden deze bevindingen bevestigd. 2 , 3 , 4 , 5 , 6 , 7 , 8 Twee derde van de huisartsen heeft ook volgens recent onderzoek geen eigen huisarts en een nog groter aantal schrijft zichzelf medicijnen voor. 9 , 10 , 11 , 12 , 13 Er is een groot verschil tussen de arts als patiënt en de lekenpatiënt, al was het alleen maar omdat de arts door zijn medische opleiding en ervaring meer op de hoogte is van ziekte en ziekteverschijnselen. 14 Meer medische kennis maakt het niet minder lastig ziektesymptomen bij zichzelf op de juiste wijze te interpreteren. Bovendien kan de angst voor de consequenties van ziekten bij de arts veel groter zijn. 12, 14 , 15 , 16 , 17 , 18 , 19 , 20 Artsen behandelen vaak zichzelf waarbij het gevaar bestaat dat de arts zich pas in een laat stadium onder behandeling van een deskundige collega stelt. 9 , 10 , 11 , 12 , 13, 18 , 19 , 20 , 21 We vroegen ons af hoeveel huisartsen inmiddels een eigen huisarts hebben en of zij deze ook daadwerkelijk raadplegen bij gezondheidsproblemen en hoe dat voor hun gezinnen ligt. We verwachtten dat anno 1998 meer huisartsen een eigen huisarts hebben en dat er minder aan zelfdiagnostiek en -behandeling wordt gedaan. Ook verwachtten we dat huisartsen minder aan hun gezin dokteren.

Methode

Het NIVEL leverde een aselecte, representatieve steekproef van 300 huisartsen. In juni 1998 stuurden we deze huisartsen een schriftelijke vragenlijst. Dit is een aan de tijd aangepaste, iets ingekorte versie van de vragenlijst die destijds door Lens is gebruikt, zodat een vergelijking met zijn onderzoeksgegevens mogelijk werd. In de vragenlijst zijn vijf categorieën vragen opgenomen: persoonsgegevens, werkomstandigheden, medische hulp, eigen gezondheid en gedrag bij ziekte van gezinsleden. Iedere medische handeling waarvoor de onafhankelijke huisarts niet werd geconsulteerd, vonden we ‘zelf behandelen’. Onder een ‘onafhankelijke huisarts’ verstonden we een huisarts die niet in dezelfde praktijk of waarneemgroep werkte.

Resultaten

De respons bedroeg 62%. In tabel 1 staan de gegevens over de samenstelling van de steekproef. Sinds 1982 heeft een duidelijke verschuiving in leeftijdsopbouw plaatsgevonden. Ruim 80% van de huisartsen is op dit moment ouder dan 40 jaar, terwijl dit in 1982 minder dan 50% was ( tabel 1). Zowel in de aangeschreven groep als in de responderende groep was 19% vrouw. In 1982 was dit 5%.

Tabel1Samenstelling steekproef in vergelijking met de totale huisartsenpopulatie (percentages)
Leeftijd40-49 jaar50-64 jaarTotaalTotaal 1982
Aantal huisartsen in Nederland1278 (17,9)3666 (52,3)2067 (29,5)70025355
Aantal huisartsen in steekproef48(16)149(49,7)102(34)300555*
Respons huisartsen29(60,4)100(67,4)56(45,9)185(61,7)299 (53,8)
* Steekproef van Lens     

Werkomstandigheden

Van de huisartsen was 43% werkzaam als solist; 37% werkte in een duopraktijk en 17% werkte in een groepspraktijk of gezondheidscentrum. In 1982 was dit respectievelijk 61, 27 en 12%. Ondanks het feit dat de meeste huisartsen (75%) het werk als zwaar ervaren, zijn zij wel tevreden over de inhoud van het vak. Hierbij valt op dat vrouwen de werkbelasting als minder zwaar ervaren dan mannen.

Medische hulp

In 1982 had 27% een eigen huisarts. In 1998 is dat percentage toegenomen tot 63%. Vrouwelijke huisartsen hadden veel vaker een eigen huisarts (97%) dan mannelijke huisartsen (55%). Jonge huisartsen hadden vaker een eigen huisarts dan hun oudere collega's. Een derde van alle huisartsen had een onafhankelijke huisarts. Tabel 2 laat achtereenvolgens de frequentie (het aantal dokters in afgelopen twee jaar met deze klacht), het percentage spontaan herstel en het percentage zelfbehandeling van de verschillende klachten zien, vergeleken met 1982. Huisartsen behandelden veelvoorkomende aandoeningen nog steeds vaak zelf, maar minder vaak dan in 1982.

Tabel2Veel voorkomende klachten en de behandeling (percentages)
  1998  1982 
 FrequentieNiets doenZelf behandelenFrequentieNiets doenZelf behandelen
Luchtweginfectie574945574566
Rugklachten456018325633
Darmklachten335128316153
Hoofdpijn495842465763

Wat is bekend?

  • Het merendeel van de huisartsen heeft geen eigen huisarts.
  • Er wordt veel zelf gedokterd met soms negatieve gevolgen.

Wat is nieuw?

  • Veel meer huisartsen dan vroeger hebben een eigen huisarts (twee derde van de huisartsen).
  • Vrouwelijke huisartsen hebben vaker een eigen huisarts dan hun mannelijke collega's.
  • De eigen huisarts wordt echter niet vaak bezocht en er wordt nog veel zelf gedokterd.

Voor de behandeling van luchtweginfecties raadpleegde 3% de eigen huisarts en 4% consulteerde rechtstreeks een specialist. Voor rugklachten ging 14,5% naar de fysiotherapeut. Voor darmklachten werd in 21% hulp van de eigen huisarts of een specialist ingeroepen. Twee derde van de huisartsen heeft in de afgelopen twee jaar geen enkele dag door ziekte het werk onderbroken en 21% meldde zich een of meer dagen ziek. Vrouwen waren vaker ziek dan mannen. Een ruime meerderheid van de huisartsen (83%) consulteerde de afgelopen twee jaar geen enkele maal de eigen huisarts; 9% deed dat eenmaal en 7% consulteerde meerdere keren de eigen huisarts, specialist of fysiotherapeut. Ongeveer één op de tien huisartsen stond onder behandeling (meer dan één consult) van een arts: in ruime meerderheid voor een chronische aandoening (85%). Een vijfde van de huisartsen consulteerde eenmaal een specialist en 17% consulteerde een of meer keren een fysiotherapeut in de afgelopen twee jaar. De meerderheid (77%) zei nooit een behandeling vroegtijdig te hebben afgebroken. Ruim de helft (59%) had wel eens de hulp uitgesteld. Een kwart daarvan was van mening dat een collega niet meer kon doen, een vijfde vond het vervelend een collega lastig te vallen en eveneens een vijfde zag pas na enige tijd in hulp nodig te hebben.

Medicijngebruik

In het jaar voorafgaand aan de enquête werden vooral antibiotica, pijnstillers en in mindere mate slaapmiddelen en antihistaminica gebruikt, nogal eens op eigen voorschrift of uit eigen voorraad ( tabel 3).

Tabel3Medicijngebruik (percentages)
 19981982op eigen voorschrift/voorraad (in 1998)
Antibiotica373878
Slaapmiddelen141178
Kalmeringsmiddelen4889
Antihistaminica13*88
Antidepressiva3*
Pijnstillers576082
Opiaten21
Andere medicatie231967
* Het onderzoek van Lens geeft hierover geen gegevens. † Aantallen te klein om te percenteren

Gezinsleden

Bijna twee derde (61%) van de partners had een eigen huisarts, waarvan 38% een onafhankelijke huisarts. In 1982 had een kwart van de partners een eigen huisarts. Veelvoorkomende klachten werden in veel gevallen (30-50%) door de huisarts/partner zelf behandeld. Ten opzichte van 1982 is dit nauwelijks veranderd. Ook voor de nog thuiswonende kinderen fungeerde de huisarts nog in veel gevallen nog als ‘eigen’ huisarts, hoewel dit veel minder voorkwam dan in 1982 (36% versus 69% in 1982).

Discussie

‘The doctor who treats himself has a fool for a patient.’

Anno 1998 hadden veel meer huisartsen een eigen huisarts dan in 1982 (63 versus 25%). Met name jonge vrouwelijke huisartsen hebben een eigen huisarts. Vrouwelijke huisartsen hebben misschien minder moeite met de patiëntenrol en kunnen hun rol van dokter beter loslaten. Zij kunnen zichzelf wellicht beter verplaatsen in de rol van patiënt, zonder dat dit een bedreiging vormt (voor het verlies van de eigen autonomie). Daarnaast hebben vrouwelijke huisartsen voor zaken als zwangerschap en een uitstrijkje een andere (onafhankelijke) huisarts nodig. In de praktijk werd de eigen huisarts echter niet vaak geconsulteerd en vond veel medicijngebruik op eigen voorschrift plaats. Het bleek dat antibiotica relatief vaak werden gebruikt, terwijl we juist onze patiënten adviseren dat terughoudendheid met antibiotica geboden is. Ook voor andere medicijnen geldt dat de onderzochte huisartsen deze niet gebruikten volgens de gebruikelijke richtlijnen. Bij dit onderzoek valt een aantal kanttekeningen te maken. Ten eerste weten we niets over de nonrespondenten. Het is mogelijk dat hun ziektegedrag verschilt met dat van de respondenten. Het feit dat de respons wat leeftijd en geslacht betreft representatief is voor de huisarts in Nederland is in dit opzicht geruststellend, maar zegt niet alles. Ten tweede kan meespelen dat er sprake is van sociaal wenselijke beantwoording van de vragenlijst, hoewel de gegevens anoniem verwerkt werden. De vraag die nog niet echt beantwoord is, is waarom de eigen huisarts niet wordt geconsulteerd. Wellicht zou een eigen gezondheidszorgsysteem zoals Allibone en ook Richards dat voorstaan een oplossing kunnen bieden. 18 , 19 , 20 Dan dient wel nagegaan te worden of er daadwerkelijk behoefte is aan zo'n eigen gezondheidszorgsysteem voor artsen.

Literatuur

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen