Nieuws

De ‘allergische mars’ bij het ontstaan van astma: de theorie verklaart niet alle astma

Gepubliceerd
10 november 2008

Allergie is de klinische relatie tussen het gesensibiliseerd zijn tegen een allergeen en het optreden van symptomen bij blootstelling aan dat allergeen. De theorie van de ‘allergische mars’ bij astma gaat uit van een vaste volgorde van achtereenvolgens ‘sensibilisatie’, ‘rhinitis’ (symptomen van de bovenste luchtwegen) en ‘astma’ (symptomen van de onderste luchtwegen). In een twintig maanden durend onderzoek onder 114 bakkersleerlingen bleek het aantal nieuwe gevallen van werkgerelateerde rhinitis- en astmasymptomen hoog: respectievelijk ruim 20 en 10 per 100 persoonsjaren. Een positieve huidpriktest tegen de beroepsallergenen ‘tarwe’ en ‘α-amylase’ ontwikkelde zich in de onderzoeksperiode daarentegen bij slechts 3 respectievelijk 2 van de 114 bakkersleerlingen. Een positieve huidpriktest tegen een of meer van de bekende inhalatieallergenen werd bij het begin van de studie waargenomen bij 33 en aan het eind bij 40 leerlingen. Lang niet alle nieuw ontstane astma bij de bakkersleerlingen ging samen met atopie, het hebben van een positieve huidpriktest tegen één of meer van de bekende inhalatieallergenen. De auteurs plaatsen daarom een vraagteken bij de allergische mars bij astma, de volgorde van gebeurtenissen is meer complex. Blijkbaar kunnen astmasymptomen los van sensibilisatie ontstaan. Zelfs bij mensen met een positieve huidpriktest met inhalatieallergenen is het klinisch verband tussen contact met een allergeen en het optreden van astma lang niet altijd duidelijk. Dit kan het beperkte effect verklaren van bijvoorbeeld immunotherapie en huisstofmijtreducerende maatregelen bij het ontstaan van astma. (BP)

Reacties

Er zijn nog geen reacties.

Verder lezen