Nieuws

Antwoord

Gepubliceerd
11 januari 2011

Preventie van depressieve stoornissen (zoals bovenstaande auteurs hebben gedaan) is iets anders dan screenen op verborgen depressieve stoornissen in de huisartsenpraktijk. Het wekt dan ook geen verbazing dat de uitkomsten van de onderzoeken niet overeenkomen. In ons onderzoek1 hebben we gescreend op de aanwezigheid van een, nog niet ontdekte, ‘major depressive disorder’ (MDD), gemeten met de SCID-I bij hoogrisicopatiënten in de huisartsenpraktijk. Het ‘number needed to screen’ om 1 extra patiënt te kunnen behandelen bleek 118 patiënten te zijn. Uit ons kwalitatieve onderzoek2 – waarin we patiënten hebben geïnterviewd die door middel van deze screening te horen hadden gekregen dat ze een MDD hadden – bleek dat patiënten het allemaal positief vonden dat zij actief door de huisarts waren benaderd omdat om hulp vragen voor hen een te hoge drempel was. De diagnose MDD sloot echter bij een aantal patiënten niet goed aan. Deze patiënten ervoeren een MDD als een ernstige psychiatrische stoornis waarvoor je medicatie zou moeten slikken. Zij ervoeren dit als falen, alsof er met dit label geen weg meer terug was. Ze legden de nadruk meer op externe factoren die hadden geleid tot hun somberheid en stonden daarbij wel open voor hulp. Wij concludeerden dat het biomedische model van MDD niet goed aansloot bij de belevingswereld van de patiënten in ons onderzoek. Het benoemen van de diagnose MDD had een negatief effect, waardoor een deel van de patiënten niet doorstroomde naar een behandeling. Het feit dat bovenstaande auteurs wel een positief effect vonden van hun preventieprogramma verbaast ons niet. Dit preventieprogramma richt zich op patiënten met milde depressieve klachten zonder het label MDD te gebruiken. Daarnaast werden alleen de patiënten geïncludeerd die ook daadwerkelijk hulp wilden voor hun klachten. Karin Wittkampf

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen