Nieuws

Cardiovasculaire risicofactoren bij 60-jarigen

0 reacties
Gepubliceerd
10 juni 2003

Veerman et al. bestudeerden het cardiovasculaire risicoprofiel van 60-jarigen die niet bij de huisarts bekend waren met een risicofactor (H&W 2003(4):187-90). Ze concluderen dat de strategie van Preventie Maatwerk om personen met een hoog risico op te sporen door bij 60-jarigen de bloeddruk te meten, niet zinvol is. Het identificeren van rokende mannen is volgens hen een betere methode. Het doel van de bloeddrukmetingen in het HVZ-project was echter om personen met verhoogde bloeddruk op te sporen en niet zozeer personen met een hoog risico. Noot 1De CBO-consensus laat zien dat medicamenteuze behandeling van verhoogde bloeddruk al (kosten)effectief is bij een matig risico en adviseert daarom bij 60-plussers vijfjaarlijks de bloeddruk te meten. Hard bewijs voor deze richtlijn ontbreekt, maar wat meespeelt is dat 10- 30% van de 60-plussers een onbehandelde verhoogde bloeddruk heeft. Noot 2Veerman et al. adviseren terecht om aandacht te besteden aan rokers. Die aandacht mag niet ten koste gaan van het meten van de bloeddruk bij ouderen die niet roken, want de meeste mensen met hypertensie roken niet.5 Overigens is de onderzoekspopulatie van Veerman et al. niet representatief, omdat 69% van de 60-jarige mannen rookte terwijl dat landelijk 30-35% is. Noot 3Noot 4Noot 5De CBO-risicotabellen geven echter de indruk dat de conclusies van de auteurs juist zijn. Verder is van belang dat het onderzoek van Veerman et al. niet het hart van het HVZ-project raakt. Het hoofddoel van het HVZ-project was om een compleet risicoprofiel op te stellen bij personen die wel bij de huisarts bekend zijn met een risicofactor. Noot 6Personen alleen bekend met roken kwamen niet in aanmerking, omdat zij in eerste instantie vooral zijn gebaat met een stoppen-met-roken-interventie. Implementatie van stoppen-met-rokeninterventies was onderdeel van het project. Screenen was in het project van ondergeschikt belang en bleef beperkt tot het meten van de bloeddruk bij 60-jarigen zonder eerder bekende risicofactoren. Het is hoog tijd voor een nieuw HVZ-project waarin geleidelijk alle aspecten van zinvol cardiovasculair risicomanagement aan de orde komen. Verbeteren van de zorgverlening aan patiënten met al bekende risicofactoren is noodzakelijk en had door de LHV-ledenvergadering niet met het badwater (de screening) mogen worden weggegooid. Noot 7Noot 8Noot 9 Bernard Frijling, Ton Drenthen, Louwrens Boomsma

Antwoord

Frijling et al. wijzen er terecht op dat het hoofddoel van het HVZ-project was de registratie van cardiovasculaire risicofactoren bij patiënten met een hoog risico te optimaliseren. Daartegen is ook nooit veel verzet geweest. De kritiek – en de onze sluit daarbij aan – gold vooral de bloeddrukmeting bij 60-jarigen. Als de behandeling van hypertensie al (kosten) effectief is bij een matig risico, dan moet daarbij opgemerkt worden dat bij de berekening van kosteneffectiviteit de kosten van het screeningsprogramma waarschijnlijk niet zijn meegenomen. Bovendien mag van systematische preventie op initiatief van de arts verwacht worden dat er voor de deelnemer een redelijke kans op individueel profijt is. Noot 10Dat kan voor de groep met matig verhoogd risico niet waargemaakt worden. Ook de CBO-consensus stelt dat het voor de hand ligt om bij vormen van programmatische screening en preventie te beginnen bij groepen waarvan het te verwachten cardiovasculair risico het hoogst is. Dat is dus niet de groep met onlangs ontdekte hypertensie. Ons hoge percentage rokers is volgens de cijfers van de Gemeente Eindhoven wel representatief voor de bewoners van onze wijk (ten dele achterstandsgebied). Noot 11Natuurlijk zijn de 32 deelnemende mannen, bij wie geen risicofactoren bekend waren, niet representatief voor alle 60-jarige mannen in het land. Het hoge percentage rokers is juist een interessant gegeven. Daar staat namelijk een veel lager percentage (28%) tegenover in de groep van wie de risicofactoren al bekend waren. In de groep ‘bekend met risicofactoren’ wordt dus aanzienlijk minder gerookt dan elders. Ook wij vinden het tijd dat LHV en NHG opnieuw beleid formuleren over preventie van hart- en vaatziekten. Dat beleid zou zich vooral moeten richten op het optimaliseren van het cardiovasculair risicomanagement bij al bekende (hoog)- risicodragers. Capaciteit, energie en motivatie moeten we stoppen in opsporing van echte hoogrisicodragers en het ontwikkelen van stoppen-met-roken-interventies. Daarbij moeten we ons meer op mannen richten dan op vrouwen en ook meer op deelpopulaties met sociaal-economische en daaraan gekoppelde gezondheidsachterstand. Maar er zal eerst meer evidence verzameld moeten worden om dergelijke keuzes te onderbouwen. Dit soort keuzes zijn (politiek) niet onomstreden en bovendien is hier de vraag aan de orde waar de grenzen liggen tussen de taken van de huisarts en die van de overheid. Stof genoeg voor een stevige discussie dus. Frits Veerman, Marianne Meulepas, Paul Ram

Voetnoten

  • Noot 1.

    Frijling BD, Grol R, Hoes AW, Van Lidth de Jeude CP, Drenthen AJM. De strijd om de bloeddrukmeting. Systematische preventie van hart- en vaatziekten moet doorgaan. Medisch Contact 2000;55:889-92.

  • Noot 2.

    Mennen LI, Witteman JCM, Geleijnse JM, Stolk RP, Visser MC, Grobbee DE. Risicofactoren voor hart- en vaatziekten bij ouderen: het ERGO-onderzoek. Ned Tijdschr Geneeskd 1995:139;1983-8. Heesen WF. Isolated systolic hypertension. Pathofysiology and effects of treatment (Proefschrift). Groningen: Rijksuniversiteit Groningen, 1998. Van Leest LATM, Schattenberg G, Mulder J, Van Doremalen JHM, Tiersma W, Tsang S, et al. De effecten van invoering van preventie van hart- en vaatziekten. Evaluatie van het LHV/NHG-project ‘Preventie: maatwerk, hart- en vaatziekten; 1998- 2000’. Nijmegen: Werkgroep Onderzoek Kwaliteit, 2001.

  • Noot 3.

    Mennen LI, Witteman JCM, Geleijnse JM, Stolk RP, Visser MC, Grobbee DE. Risicofactoren voor hart- en vaatziekten bij ouderen: het ERGO-onderzoek. Ned Tijdschr Geneeskd 1995:139;1983-8.

  • Noot 4.

    Van Leest LATM, Schattenberg G, Mulder J, Van Doremalen JHM, Tiersma W, Tsang S, et al. De effecten van invoering van preventie van hart- en vaatziekten. Evaluatie van het LHV/NHG-project ‘Preventie: maatwerk, hart- en vaatziekten; 1998- 2000’. Nijmegen: Werkgroep Onderzoek Kwaliteit, 2001.

  • Noot 5.

    www.nationaalkompas.nl

  • Noot 6.

    Frijling BD, Grol R, Hoes AW, Van Lidth de Jeude CP, Drenthen AJM. De strijd om de bloeddrukmeting. Systematische preventie van hart- en vaatziekten moet doorgaan. Medisch Contact 2000;55:889-92.

  • Noot 7.

    Frijling BD, Grol R, Hoes AW, Van Lidth de Jeude CP, Drenthen AJM. De strijd om de bloeddrukmeting. Systematische preventie van hart- en vaatziekten moet doorgaan. Medisch Contact 2000;55:889-92.

  • Noot 8.

    Van Leest LATM, Schattenberg G, Mulder J, Van Doremalen JHM, Tiersma W, Tsang S, et al. De effecten van invoering van preventie van hart- en vaatziekten. Evaluatie van het LHV/NHG-project ‘Preventie: maatwerk, hart- en vaatziekten; 1998- 2000’. Nijmegen: Werkgroep Onderzoek Kwaliteit, 2001.

  • Noot 9.

    Frijling BD. Management of patients at high cardiovascular risk. Quality improvement in general practice (Proefschrift). Nijmegen: Katholieke Universiteit Nijmegen, 2002.

  • Noot 10.

    Boot K, Meijman FJ. Systematische preventie van hart- en vaatziekten in de huisartsenpraktijk is niet zinvol. Huisarts Wet 1999;42:341-46.

  • Noot 11.

    Gezondheidsprofielen en demografische kenmerken Gemeente Eindhoven. Gezondheidspeiling 1998/ 1999. GGD Eindhoven, 2000.

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen