Nieuws

Chronisch vermoeid? Meer bewegen!

Gepubliceerd
10 november 2004

Achtergrond Het chronische-vermoeidheidssyndroom (CVS) wordt gekarakteriseerd door persisterende lichamelijk onverklaarde vermoeidheid gedurende ten minste 6 maanden. CVS is een ernstig gezondheidsprobleem; CVS-patiënten ervaren aanzienlijke beperkingen en de prevalentie in de algemene bevolking varieert in diverse onderzoeken van 0,1-1%. Veel patiënten met CVS bezoeken de huisarts, maar de diagnose wordt weinig gesteld. Verwijzing naar een specialist of alternatieve hulpverleners om de oorzaak van de klachten vast te stellen of voor behandeling biedt ook vaak geen oplossing en leidt vaak tot ontevredenheid bij patiënten met CVS. Bij het ontstaan en voortduren van het CVS spelen waarschijnlijk zowel somatische als psychologische factoren een rol. Behandelingsstrategieën voor CVS kunnen dan ook op psychologisch, somatisch of farmacologisch gebied liggen. Doel De effectiviteit vergelijken van alle gerandomiseerde onderzoeken van bewegingstherapie bij CVS. Zoekstrategie en uitkomstmaten Met een uitgebreide zoekstrategie volgens de gebruikelijke Cochrane-methode werden alle gerandomiseerde onderzoeken geselecteerd waarin bewegingstherapie werd vergeleken met een controlegroep (gebruikelijke zorg) of een andere interventie. Ook combinatietherapieën met ontspanningsoefeningen, antidepressiva of patiëntenvoorlichting werden beoordeeld. De belangrijkste uitkomstmaat was vermoeidheidssymptomen (bijvoorbeeld gemeten met de Chalder Fatigue Scale); andere maten waren: depressie, kwaliteit van leven, conditie, pijnklachten, consultfrequentie, uitval en bijwerkingen. Resultaten Vijf onderzoeken met in totaal 336 patiënten voldeden aan de inclusiecriteria. In alle onderzoeken werd bewegingstherapie voorgeschreven gedurende 12 weken met een variatie in de belasting van de zuurstofcapaciteit (VO 2max) van 40 tot 70%. De frequentie varieerde van 3 tot 5 maal per week 30 minuten; meestal werden de oefeningen bijgehouden in een dagboek. Uitkomstmaten werden gemeten na 12 en na 24 weken. Alle onderzoeken rapporteerden na 12 weken dat bewegingstherapie significant effectiever was dan de gebruikelijke zorg of ontspanningstherapie; na 24 weken was dit verschil niet meer significant. Naast vermoeidheid verbeterden ook fysiek functioneren (SF-36) en slaapproblemen significant. Voor depressie (HADS) was er een kleine, niet-significante verbetering. Slechts één onderzoek beschreef het effect van bewegingstherapie vergeleken met fluoxetine; bewegingstherapie had een gunstiger effect op vermoeidheid en fluoxetine was iets effectiever bij depressie, maar deze verschillen waren niet significant. Ook een combinatie van bewegingstherapie met antidepressiva was wel iets, maar niet significant beter dan alleen bewegingstherapie. Met extra patiëntenvoorlichting waren patiënten niet beter af dan met bewegingstherapie zonder voorlichting. Uit de meeste onderzoeken bleek dat de uitval toenam naarmate de oefeningen intensiever waren. In het onderzoek met een hogere VO 2max van 75% werden hierdoor slechtere uitkomsten gerapporteerd dan in onderzoeken met een lagere belasting van 40%. De meest effectieve oefeningen zoals beschreven in de onderzoeken werden 12 weken lang 3-5 maal per week gedurende 30 minuten uitgevoerd bij een maximale zuurstofbelasting van 40%. Bijwerkingen van de bewegingstherapie werden niet gerapporteerd. Conclusie Bewegingstherapie is op korte termijn (3-6 maanden) gunstig voor patiënten met CVS; bijwerkingen werden niet gerapporteerd. Over het effect op langere termijn is niet voldoende bekend. Patiëntenvoorlichting leidt niet tot extra verbetering.

Commentaar

Het aantal onderzoeken is te klein om uitspraken te kunnen doen over bijvoorbeeld een mogelijk bijkomend effect van een antidepressivum op depressieve klachten. De auteurs bepleiten het uitvoeren van meer onderzoeken naar de effectiviteit van bewegingstherapie met aandacht voor het langetermijneffect. Huisartsen moeten zich realiseren dat het onvoldoende is om vermoeide patiënten een algemeen advies te geven om meer te bewegen. Het valt niet te verwachten dat deze patiënten zelf 3-5 maal per week gaan oefenen. Bewegen onder begeleiding van een sportfysiotherapeut of sportschool met aangepaste programma's voor deze doelgroep heeft waarschijnlijk meer kans op succes. Ingrid Arnold

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen