Nieuws

Consultvoering als klinische dans

0 reacties
Gepubliceerd
10 oktober 2002

Pieters en Carlier introduceren in hun artikel over consultvoering (H&W 2002;45:475-7) een mij onbekende dansleraar. Deze werd door mij niet genoemd (H&W 2001;44:258-9). De auteurs zijn sterk op onderwijs gericht, terwijl door mij de methode ter discussie werd gesteld. De bezwaren tegen de gebruikte consultvoeringsmethode(n) zijn eerder door Pieters zelf geformuleerd, zoals de ideologische achtergrond, het ontbreken van een wetenschappelijke basis en dan met name het ontbreken van effectiviteitsonderzoek bij patiënten. De methode is niet aan de medische situatie, maar aan het casework ontleend. Dat wreekt zich en draagt bij aan het beeld dat de huisarts een medisch-maatschappelijk werker is. Niemand twijfelt aan de grote betekenis van communicatie en het ontwikkelen van een goede arts-patiëntrelatie. Dit zijn echter middelen en geen doelen, aldus de psychologe Jozien Bensing. Bij haar onderzoek bleek dat er nauwelijks een correlatie tussen ‘tevredenheid’ en kwaliteit van zorg bestond. Consultvoering behoort de specifieke huisarts geneeskundige benadering te omvatten. Deze wordt naast vraagverheldering gekenmerkt door het inschatten van de ernst van de situatie/probleem. De meeste patiënten vragen naar een prognose: ‘Kan het kwaad, dokter?’ Daarnaast is bekend dat huisartsen – zeker aanvankelijk – geen diagnose kunnen/moeten stellen, maar wel de ernst en de prognose moeten inschatten. Onderzoek van Luc van Berkestijn toonde aan dat huisartsen niet genoeg naar alarmsignalen vragen, risicofactoren nagaan en dóórvragen. Dat leidt tot fouten, zoals eerder vermeld. Patiënten willen informatie en dat vereist een klinische dans, omdat soms de patiënt en soms de dokter de leiding moet nemen. Hoe integreer je de gedragswetenschappelijke met de medische benadering en hoe pas je de moeizaam verworven huisartsgeneeskundige kennis toe? Ik neem aan dat de auteurs het met mij eens zijn dat alleen huisartsen over huisartsgeneeskundige kennis en vaardigheden beschikken. In mijn artikel staat dan ook niet dat huisartsen betere docenten zijn, wel dat deze dagelijks de klinische dans uitvoeren. Het moderne contextleren sluit daarbij aan en dat pleit voor een grotere rol van de praktijk en de huisartsopleider.

Antwoord

Met De Melker zijn wij het eens dat huisartsen dagelijks met hun patiënt een klinische dans uitvoeren. Hoe het uitvoeren van deze dans het beste uitgevoerd kan worden staat ter discussie. In ons artikel adviseren wij geen rigide model te hanteren zoals indertijd werd gepropageerd bij de introductie van Methodisch Werken in 1976 (H&W 1976;19:366-7). Wij zijn het met De Melker eens dat het klakkeloos toepassen van deze methode, ook al is deze door de jaren heen aangepast, op elk willekeurig consult geen goede zaak is. Wij stelden ons de vraag wanneer en in welke situaties verschillende consultvoeringsvaardigheden moeten worden toegepast. Natuurlijk is de huisarts zelf de aangewezen persoon om daar een goed antwoord op te geven en niet een gedragswetenschapper. Wij gaven de suggestie dat je een minimum vereiste aan vaardigheden zou kunnen opstellen, zoals regie houden, hulpvraag verhelderen, empathie, en handelen volgens de NHG-Standaarden, inclusief het alert zijn op alarmsignalen en goed oog hebben voor risicofactoren. Dit is volgens ons een juiste integratie van gedragswetenschappelijke en huisartsgeneeskundige kennis. In daarvoor aangewezen situaties, bijvoorbeeld bij klachten waarbij het niet aan het begin van het consult al duidelijk is welke het kant het opgaat, adviseren wij om de stappen uit het systematisch werken op een goede manier te doorlopen om geen fouten te maken. De methode blijft een hulpmiddel en dient inderdaad geen doel op zich te worden. Met het antwoord van De Melker op de vraag wie de dansleraar zou moeten zijn, zijn wij het eens; wij hebben in ons artikel ook aangegeven dat de huisartsopleider hier een belangrijke rol zou moeten spelen. Dat betekent niet dat gedragswetenschappers geen bijdrage kunnen leveren aan het trainen van bepaalde consultvoeringsvaardigheden.

Ron Pieters

Reacties

Er zijn nog geen reacties