Praktijk

De generalist

Gepubliceerd
7 juli 2011

In 1957 ben ik – toevallig – huisarts geworden, omdat er een huisartsenpraktijk in Amsterdam ter overname werd aangeboden. Achteraf een beroep dat mij op het lijf geschreven was. Voordien werkte ik vanaf 1951 als wetenschapper bij het Anatomisch Instituut van de Vrije Universiteit en deed daar onderzoek op het gebied van aangeboren stoornissen. Ik heb in die jaren gesolliciteerd naar een plaats voor de opleiding tot kinderarts, bij professor Veeneklaas in Leiden. In een eerste gesprek met hem waren wij allebei zeer enthousiast, mede vanwege mijn onderzoek. Bij een door hem gewenst psychologisch onderzoek bleek ik echter te ‘oppervlakkig’ te zijn en ben afgewezen. Dat was op dat moment een teleurstelling, maar nu na zoveel jaren denk ik – terugkijkend – dat het goed is geweest. Later heb ik met vele ‘echte’ wetenschappers te maken gehad en zag ik hoe zij, geobsedeerd door een onderwerp, zich daar helemaal in verdiepten en er dag en nacht mee bezig waren. Ik heb echter een brede belangstelling en vind bijna alles wat er om mij heen gebeurt interessant. Ik denk dus dat ik met mijn karakter beter geschikt ben voor het generalisme huisartsgeneeskunde, dan voor een carrière in de wetenschap. Voor een specialist geldt volgens mij het omgekeerde. Wanneer je het niet erg vindt dat je niet van alles op de hoogte kunt zijn, je je graag verdiept in een enkel onderwerp en je daar dan ook dag en nacht mee bezighoudt, dan moet je geen generalist worden.

Generalist met een ‘hobby’

Dat wil niet zeggen dat ik in de praktijk geen ‘hobby’s’ had. Ik heb veel gesprekken met patiënten gevoerd, als zij er blijk van gaven bepaalde moeilijkheden te hebben en daarover met mij wel wilden praten. Ik heb mij op dit gebied dan ook verder bekwaamd, onder meer door deelname aan een Balintgroep en het bijwonen van cursussen over gesprekstechniek. Deze gesprekken deed ik in mijn vrije tijd, zonder daarvoor extra te worden gehonoreerd. Het zou mooi geweest zijn als ik daar wel een honorarium voor had ontvangen en als daar een ‘verklaring’ van deskundigheid tegenover had gestaan. Professor Huygen in Nijmegen was destijds van mening dat het hebben van een ‘hobby’ naast het vak goed was om plezier in het werk te houden. Ik deel deze opvatting, op grond van mijn ervaring als huisarts. Ook ik denk dat voor een huisarts en zijn patiënten het hebben van een ‘hobby’ naast het generalistische huisartsenwerk goed is. Maar specialisatie in strikte zin, lijkt mij een stap te ver. Je moet je dan ook verdiepen in de literatuur van dat ‘specialisme’ en dat is een bijna onmogelijke opgave, gezien de huidige overvloed van publicaties. Het is voor de generalist al moeilijk genoeg om via de literatuur enigszins op de hoogte te blijven van alle nieuwe ontwikkelingen. Dus als generalist met een hobby heb ik mij altijd zeer goed gevoeld. Vooral toen in 1970 een opleiding tot huisarts en de ontwikkeling van de wetenschap die aan het vak ten grondslag ligt in het verschiet kwamen. Ik heb daaraan kunnen meewerken en het was een uitdaging om zowel de opleiding als de inhoud van de huisartsgeneeskunde vorm te geven. Dat dit nu na zoveel jaren is gelukt, stemt mij dankbaar.

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen