Wetenschap

Depressie bij ouderen

0 reacties
Door
Gepubliceerd
10 november 2002

Omdat het percentage ouderen in de bevolking de komende decennia stijgt, kunnen ouderen en hun gezondheidsproblemen rekenen op de warme belangstelling van wetenschappers. Het proefschrift van Marjan van den Berg betreft een beschrijvend onderzoek van een gemengd cohort van depressieve ouderen (55-plus), gerekruteerd uit de bevolking (door middel van screening), uit de huisartsenpraktijk, en uit de tweedelijns GGZ, aangevuld met een niet-depressieve controlegroep. De totale groep van ongeveer 260 personen is maximaal twee jaar gevolgd tot de depressie over was. In zeven hoofdstukken worden evenzoveel vraagstellingen onderzocht. Niet alles is voor huisartsen even interessant. Ik licht enkele opvallende bevindingen eruit. Op basis van de DSM-IV-criteria werden de ouderen met depressieve klachten – in volgorde van afnemende ernst – ingedeeld in de volgende categorieën: ernstige depressie ( major depression), milde depressie ( minor depression) en depressieve symptomen. Vergeleken met de niet-depressieve controlegroep vertoonden alle drie de groepen depressieve ouderen een verhoogde psychobiologische kwetsbaarheid voor depressie zoals blijkt uit neuroticisme, het voorkomen van depressies in de voorgeschiedenis en een positieve familieanamnese. De depressieve categorieën vertoonden onderling beduidend minder sterke verschillen, hoewel er een trend was dat de ernstige depressiegroep de grootste kwetsbaarheid bezat. Deze gegevens pleiten voor de ‘continuï-teitshypothese’ die stelt dat depressies van verschillende ernst uitingen zijn van dezelfde aandoening. Of dat betekent dat patiënten met lichtere klachten in dezelfde mate baat hebben bij behandelingen -zoals met name antidepressiva – die voor ernstige depressies worden aanbevolen, is nog onduidelijk. Los van de geijkte DSM-IV-indeling van depressies, bleken depressies bij ouderen in drie etiologisch verschillende subgroepen te kunnen worden ingedeeld. De eerste groep werd gekenmerkt door een eerste depressie voor het zestigste jaar en een hoge psychobiologische kwetsbaarheid voor depressie. De tweede groep werd gekenmerkt door het ontstaan van depressieve klachten in aansluiting op ernstige psychosociale stress en de derde groep door een hoge prevalentie van cardiovasculaire risicofactoren. ‘Vasculaire depressie’ lijkt een apart ziektebeeld, maar over de behandeling ervan is nog niet veel bekend. Kraepelin parafraserend, zegt Van den Berg dat met haar onderzoek ‘weer een onvermijdelijke stap in de richting van meer … kennis’ is gezet. Vooralsnog lijkt deze kennistoename niet direct vertaald te kunnen worden naar de praktijk van de huisarts.

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen