Nieuws

Doktervariatie bij polyfarmacie

Gepubliceerd
4 januari 2016
Het medicatiebeleid voor ouderen met multimorbiditeit en polyfarmacie kan per huisarts verschillen. Factoren die hierin een rol spelen, zijn mogelijke bijwerkingen van en interacties tussen geneesmiddelen, en de kenmerken en wensen van de patiënt. Daarnaast bieden bestaande richtlijnen de huisarts slechts beperkte ondersteuning, omdat deze meestal over één aandoening gaan. Voor een deel van de bestaande variatie in het medicatiebeleid heeft de huisarts dus gegronde redenen, maar een deel kan ook niet-rationeel zijn en kan bijvoorbeeld komen door onzekerheid over de beste behandeling. Kennis van de omvang van medicatievariatie en van de keuzes die huisartsen maken bij deze patiënten draagt bij aan meer inzicht in, en mogelijk aan meer consensus over het beste medicatiebeleid.

Praktijkvariatie in polyfarmacie

De multidisciplinaire richtlijn definieert polyfarmacie als het ‘chronisch gebruik van ten minste vijf verschillende geneesmiddelen’. Bij ruim een kwart (27%) van de patiënten van 55 jaar en ouder, ingeschreven bij 86 huisartsenpraktijken, was in 2012 sprake van polyfarmacie, gemeten met gegevens van NIVEL Zorgregistraties eerste lijn en de Stichting Farmaceutische Kengetallen. Deze patiënten waren relatief iets ouder, woonden vaker in een buurt met lage sociaaleconomische status en hadden meer chronische aandoeningen dan de ouderen zonder polyfarmacie [tabel].
Het percentage ouderen met polyfarmacie varieerde van 15% tot 28% tussen de praktijken. Dit betekent dat de ene praktijk bijna twee keer zoveel patiënten met polyfarmacie behandelt als de andere. Deze variatie bleef bestaan, ook nadat rekening was gehouden met verschillen in praktijkkenmerken en samenstelling van de patiëntenpopulatie.
TabelKenmerken patiënten ? 55 jaar met en zonder polyfarmacie, gegevens uit 2012 (n = 45.731 patiënten uit 126 huisartsenpraktijken)*
Polyfarmacie(n = 12.282)Geen polyfarmacie(n = 33.449)
Geslacht, % mannen46,445,7
Gemiddelde leeftijd, jaar (SD)72,4 (9,5)66,6 (8,7)
SES op buurtniveau
  • hoog, %
  • gemiddeld, %
  • laag, %
12,167,820,115,268,416,4
Gemiddeld aantal chronische aandoeningen (SD) 3,4 (1,6) 1,6 (1,3)
Gemiddeld aantal chronische geneesmiddelen (SD) 6,9 (2,1) 1,7 (1,4)
SD = standaarddeviatie; SES = sociaaleconomische status.
* betreft alleen patiënten die ten minste 1 geneesmiddel gebruikten in 2012.
gebaseerd op Status-scores per 4-cijferige postcode in 2010, ontwikkeld door het Sociaal en Cultureel Planbureau.
gebaseerd op een lijst van 29 chronische aandoeningen.

Groepsdiscussie

Om meer inzicht te krijgen in de achtergrond van deze variatie hebben we twee groepsdiscussies gehouden met 12 ervaren huisartsen (gemiddeld 25 jaar ervaring). Zij bespraken vier realistische ‘casevignetten’ van ouderen met polyfarmacie die hun huisarts bezochten vanwege verschillende klachten. De huisartsen stelden aanpassingen voor in de bestaande medicatie en gaven redenen voor de gekozen aanpak. De vignetten zijn ontwikkeld en gevalideerd door een team van (huisarts-)onderzoekers, een ervaren huisartsonderzoeker leidde de groepsdiscussies.
Het aantal voorgestelde medicatieaanpassingen verschilde per huisarts en per vignet. De bespreking van de vignetten bevestigde dat huisartsen verschillende keuzes maken in het medicatiebeleid. De huisartsen hadden bijvoorbeeld verschillende prioriteiten qua behandeldoelen en wogen patiëntkenmerken als leeftijd en vitaliteit anders. Zo vertelden sommigen dat minder optimale klinische waarden werden geaccepteerd als het de gezondheidsstatus van de patiënt zou verbeteren.

multidisciplinair overleg en samenwerking

De huisartsen vonden het erg leerzaam om gezamenlijk over deze patiënten te praten. Zo werd er gezegd: ‘Het is helemaal niet zo verkeerd om er met zijn allen naar te kijken. Net zoals we nu eigenlijk doen. Dan denk je toch sneller: Oké, ik moet daar maar eens op letten.’ Hoewel bijna alle huisartsen deelnamen aan een FTO (farmacotherapeutisch overleg), leek dit overleg niet gebruikt te worden om over patiënten met een ingewikkeld medicatie- en/of behandelbeleid te praten. Structureel multidisciplinair overleg over patiënten met complexe problemen, bijvoorbeeld tijdens een FTO of wellicht zelfs transmuraal, lijkt daarom een goed initiatief om kennis en ervaringen te delen. Wellicht komen we zo tot een breder gedragen visie over de beste behandeling bij deze groep patiënten.
Voor de hier beschreven analyses is gebruikgemaakt van gegevens uit 2012 van huisartsenpraktijken die deelnemen aan NIVEL Zorgregistraties eerste lijn. NIVEL Zorgregistraties maakt gebruik van gegevens van de elektronische patiëntendossiers (EPD’s) van deelnemende huisartsen en verzamelt constant gegevens over aandoeningen, aantallen verrichtingen, geneesmiddelenvoorschriften en verwijzingen (zie ook www.nivel.nl/zorgregistraties). Voor dit onderzoek zijn demografische gegevens, gegevens over aandoeningen en geneesmiddelvoorschriften van de patiënt gekoppeld aan gegevens over geneesmiddelverstrekkingen die verzameld zijn door de Stichting Farmaceutische Kengetallen (SFK).

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen