Wetenschap

Drieledige geboorte van een tweeling: NHG en H&W

Gepubliceerd
10 september 2007

Rond 1950, in een tijd dat het beroep van huisarts geen hoge status had, begon een klein aantal artsen met het verrichten van wetenschappelijk onderzoek op basis van hun praktijkgegevens en gingen zij het belang van een wetenschappelijke vereniging naast de Landelijke Huisartsen Vereniging bepleiten. Belangrijk in deze ontwikkeling was het boek van Just Buma uit 1950, De huisarts en zijn patiënt, waarin deze de individuele geneeskunst afwees en het sociale vlak als het terrein bij uitstek voor de huisarts aanwees. Nadat in 1955 in Medisch Contact op het oprichten van een wetenschappelijke vereniging was aangedrongen, ontstond een Initiatiefgroep Huisartsen Studiegenootschap, al snel herdoopt in Werkgroep Oprichting NHG. Tijdens een congres op 29 december 1956 werd tot oprichting van het NHG besloten, met als motto: ‘Het bevorderen van de wetenschappelijke uitoefening van de geneeskunde door huisartsen’.

Emotionele verwaarlozing

De tijd was er rijp voor. Kort voor de oprichting had niet alleen de Rijksuniversiteit Utrecht een congres georganiseerd over ‘Wetenschappelijk onderzoek en maatschappij’, waarin namens de medische faculteit voor een grote inbreng van de huisarts werd gepleit, ook had de Lentse huisarts Frans Huygen een lezing gehouden voor de KNMG over ‘De huisarts en de wetenschap’. Hij stelde daarin dat de huisarts zich overbodig was gaan voelen door emotionele verwaarlozing door zijn opleiders en de specialisten. De oplossing hiervoor moest komen uit een begrenzing van het eigen gebied en een beschrijving van de eigen taak, bij voorkeur door huisartsen zelf. Zijn openingswoorden zullen een diepe indruk op de aanwezige huisartsen hebben achtergelaten.

Huygen benadrukte dat de huisarts een eigen, specifieke taak binnen de gezondheidszorg had: ‘De beoefening van een continue, integrale en persoonlijke geneeskunde voor de mens in zijn eigen omgeving.’ Het verschil in status tussen specialist en huisarts was dan ook onterecht. En als dan ook nog de opleiding zou kunnen worden verbeterd, bijvoorbeeld door een echt wetenschappelijke manier van denken aan te leren, dan zou van een ware emancipatie van het vak kunnen worden gesproken. Het leidde Huygen tot de oproep een wetenschappelijke vereniging te beginnen, waarvoor het initiatief gelukkig al was genomen.

Verschuivend ziektebegrip

Het NHG – en daarmee het blad Huisarts en Wetenschap – ontstond in een tijd dat het natuurwetenschappelijke, objectief-instrumentele ziektebegrip overheersend was. Ziekte was het resultaat van een verstoring van pathologische processen en functies van het lichaam. Maar het aantal vraagtekens hierbij steeg snel, resulterend in een subjectief-narratief ziektebegrip, gebaseerd op een sociaal-politiek gezondheidsmodel. ‘Objectieve’ meting werd hierbij vervangen door een diagnose op grond van het gesprek tussen arts en patiënt. Het gevolg was dat gezondheidszorg niet slechts op haar plek was bij ziekte, maar ook bij lichamelijk, geestelijk of sociaal onbehagen ‘zich uitend in een gezondheidsklacht’. Hierdoor steeg de sinds enkele decennia toch al groeiende vraag naar medische zorg – resulterend in een medicalisering van het gehele leven – alleen maar verder. Deze tendens is terug te vinden in de verklaring die werd overeengekomen op de door het NHG georganiseerde Woudschoten-conferentie, op 23 en 24 januari 1959, waar Huygens definitie van de taak van de huisarts werd aanvaard. Van ‘ziekte’ was geen sprake meer, geneeskunde werd ‘zorg’. Preventie was belangrijker dan curatief werk. Het was op deze conferentie dat de taak van het NHG werd omschreven en waar een uitsplitsing van het werk van de huisarts in twaalf deeltaken werd geformuleerd: van ‘eerste hulp, ook voor psychische traumata’ tot ‘blijven werken aan eigen deskundigheid en vorming’.

Tijdschrift op proef

Al voorafgaand aan het Utrechtse congres zag de oprichtingswerkgroep het belang van een mededelingenblad. Dus verscheen in december 1956 nummer 1, jaargang 1, van Mededelingen en Publicaties, ‘bij wijze van proef’ aangeboden in de vorm van een tijdschrift: veertien gestencilde pagina’s dik, gestoken in een blauw kaftje. Door periodieke uitgave hiervan zou volgens de werkgroep ‘het intern contact met de (toekomstige) leden van het NHG’ kunnen worden onderhouden. Voorlopig had het geen ander doel, maar de werkgroep hoopte ‘te zijner tijd in staat te zijn medisch-wetenschappelijke gegevens te verstrekken over onderzoekingen verricht in het kader van het NHG door huisartsen-studiegroepen of leden-huisartsen individueel’. Het openingsartikel van dit eerste van drie ‘eerste’ nummers was getiteld: ‘Grondgedachte voor dit begin’. Die grondgedachte was het idee dat de huisarts zijn geneeskunst bewust uitoefende, waarbij het ‘beschouwen en bestuderen’ ervan een voorwaarde werd. ‘Het denken over de uitoefening van onze geneeskunst hebben wij te lang verzuimd, ook al door het hoge tempo en de overvuldheid met werk in de huisartsenpraktijk. Dientengevolge moest geneeskunde vaak te snel worden uitgeoefend om eerst de vraag naar het waarom en waartoe te kunnen stellen. Toch is deze vraagstelling nopens het waarom, hoe en wat, bij het begin van de werkzaamheden van ons Genootschap nuttig en noodzakelijk.’

Naar een heus maandblad

Dit blad werd in februari gevolgd door het al wat chiquer uitgegeven Huisarts en wetenschap. Mededelingen en publikaties van het NHG. Wederom: nummer 1, jaargang 1. Wie de redactie in handen had is onduidelijk, al lijkt het vast te staan dat de eerste secretaris van het NHG, Karel Brühl, een grote rol heeft gespeeld. De voorbereidingen voor een heus maandblad waren toen al in volle gang. Op 24 januari had het bestuur een commissie ingesteld en op 28 februari werd de knoop doorgehakt. De redactie ging bestaan uit drie medici en een journalist, die tevens redactiesecretaris werd. Het blad zou gratis worden verspreid en wetenschappelijke artikelen en mededelingen van het NHG bevatten. Gezien de lange voorbereidingstijd en de zomervakantie zou het eerste nummer pas in september verschijnen. Dit werd allemaal in mei bekendgemaakt in Mededelingen en Publicaties nummer 2. En zo zag in september 1957, voor de derde en laatste maal, het eerste nummer van het blad huisarts en wetenschap het licht – in een ver doorgevoerd blijk van bescheidenheid met kleine letters. Pas in 2001 zouden de H en W kapitaal worden. De redactie bestond uit Henk Frese, Dick den Haan en Arthur Hofmans; de ondertitel luidde Maandblad van het NHG. In dit eerste nummer werd direct toegegeven dat natuurlijk niet iedere huisarts wetenschappelijk onderzoek zou gaan of zelfs zou moeten gaan verrichten. Maar onder het motto dat de enige vijand van de wetenschap de onwetendheid was, was het wel ieders plicht, en dus ook van iedere huisarts, ‘haar althans te bevorderen en in ieder geval niet te remmen’. Volgens Frese sloot de doelstelling ook naadloos aan bij die van het genootschap. Immers, als men behalve het publiceren van oorspronkelijke artikelen van huisartsen – ‘artikelen dus, die een weerslag zijn van eigen wetenschappelijk werk’ – zich ook wilde wijden aan zaken als nascholing, kennisverdieping en verbreding van ‘de geneeskundige gedachtesfeer van de huisarts’, dan moesten er tevens bijdragen worden geplaatst die de bedoeling hadden die huisarts te benaderen. En dat was precies de plicht die de redactie voelde tegenover alle huisartsen van Nederland, NHG-lid of niet.

De waarde van ‘en’

Huisarts en wetenschap, met of zonder hoofdletters, was een goede naam. Die lag niet alleen voor de hand, hij bood ook vele mogelijkheden, vooral door dat ‘en’. Zo kon aandacht worden besteed aan de praktijk van de huisarts én aan de nieuwste ontwikkelingen op het gebied van de medische wetenschap. Het woord ‘en’ werd dan gebruikt als optelwoord. Het kon echter ook een voegwoord zijn, waardoor de relatie tussen het huisarts-zijn en de medische wetenschap in het centrum der attentie zou komen te staan. Het kon gaan om wetenschap die van belang was voor de huisarts, huisartsen die wetenschap bedreven of om de huisartsgeneeskunde als aparte wetenschappelijke discipline. Het is aan de trouwe lezers van het tijdschrift om te beoordelen of al deze mogelijkheden in de afgelopen vijftig jaar ten volle zijn benut.

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen