Wetenschap

Huisartsgeneeskunde is wel bijzonder

Gepubliceerd
10 mei 2006

Henk ThiadensNoot 1 We moeten de auteurs – nog wel drie hoogleraren en een hoofd beroepsopleiding – van het artikel Huisarts, blijf bij je klinische leest! (H&W 2006;49:75-7) dankbaar zijn. Het is goed dat de denkwijze die kennelijk in de academische achterkamertjes in zwang is, in de openbaarheid wordt gebracht. Het ontbreekt hen ook niet aan moed om in het jaar, waarin huisartsen stilstaan bij het 50-jarig bestaan van het NHG, de pijlers van ons vak ‘continue, persoonlijke en integrale zorg’ als minder belangrijke kenmerken van de huisartsgeneeskunde te beschouwen. Kortom, het artikel nodigt uit tot discussie. Waarom hebben de auteurs bezwaar tegen een huisartsgeneeskunde die zich presenteert als een discipline die in wezen verschilt van de andere klinische specialismen? Naarmate de geneeskunde zich verder ontwikkelt, neemt de noodzaak van verdere (sub)specialisatie toe omdat niemand in staat is het geheel te beheersen. Waarom mogen huisartsen zich niet onderscheiden door het leveren van integrale, continue en persoonlijke zorg? Mogen kinderartsen geen onderzoek doen naar wiegendood? Of neurologen naar de gevolgen van toenemende invaliditeit? En waarom zouden huisartsen geen onderzoek doen naar zaken waarmee zij in de praktijk te maken hebben als daar niet het etiket klinisch op geplakt kan worden? Bovendien is de huisarts de enige arts die zijn patiënten kent en beschouwt als mensen die in principe gezond zijn. Ook daarin verschilt huisartsgeneeskunde van specialistische geneeskunde. De auteurs schrijven bij herhaling dat huisartsen maar gewone clinici zijn en dat zij zich daarin niet van specialisten onderscheiden. Onwillekeurig komt dan weer dat oude, achterhaalde strijdgevoel boven dat huisartsen ertoe verleidt zich te rechtvaardigen tegenover specialisten, op een toon van: ‘Wij zijn heus ook wetenschappelijke clinici, net als jullie’. De auteurs stellen zich daarmee niet alleen defensief op, maar er spreekt ook geen gevoel van beroepstrots uit, die zich ooit binnen het NHG ontwikkelde, toen inzicht ontstond in wat het eigenlijk inhoudt om huisarts te zijn. Het misverstand dat door auteurs wordt gehanteerd is dat de kenmerken van de huisartsgeneeskunde strijdig zouden zijn met klinisch denken en handelen. Ook binnen die kenmerken is klinisch denken en handelen zeer goed mogelijk. Het bontst maken de auteurs het in hun paragraaf over wetenschappelijk onderzoek, waarin het recente NHG-rapport Toekomstvisie met zijn adviezen over meer onderzoek naar ethiek, context, continuïteit en de betekenis van het arts-patientcontact wordt afgedaan als ondeugdelijk. Ik citeer: ‘Deze bonte beschrijving van (relevant) onderzoek in de huisartsgeneeskunde deugt niet. De nadruk moet volgens ons liggen op het eerste domein: het klinisch onderzoek.’ Maar de auteurs onderbouwen hun bewering over de vermeende ondeugdelijke visie niet en dat wekt een bijna arrogante indruk. Ook ik vind dat wetenschappelijk onderzoek nodig is om het medisch handelen te onderbouwen met juiste veronderstellingen en inzichten. Hierin kunnen omgevingsfactoren en psychologische aspecten een rol spelen en deze moeten dus bij het onderzoek betrokken worden. Dat de auteurs dit bij voorbaat uit willen sluiten komt niet over als een wetenschappelijke grondhouding. De auteurs pleiten ervoor dat huisartsen en aios (basaal) wetenschappelijk onderzoek gaan verrichten. Maar zij denken daarbij, vermoed ik, voornamelijk aan fysieke aspecten. Een iets breder denkkader is niet ongewenst! Neem bijvoorbeeld onderzoek naar stress dat zowel lichamelijke als psychologische componenten heeft. Gaat het daarbij niet om basaal wetenschappelijk onderzoek? En zo ja, zitten daar geen psychologische componenten aan vast?

Alles bijeengenomen vind ik dat de auteurs een beperkt gezichtsveld tonen zowel op gebied van wetenschappelijk onderzoek als van de huisartsgeneeskunde als discipline. Het lijkt erop dat deze academici gevangen zitten in het web van de universiteit, die publicaties verlangt in de hoogst aangeschreven tijdschriften. Treurig, dat je gevangen in dat academische web kennelijk steeds meer van je eigen identiteit moet weggeven om mee te blijven tellen. Je ziel verkopen aan de duivel? Is dat niet de echte Faustiaanse boodschap?

Voetnoten

  • Noot 1.

    Dr. H.A. Thiadens, huisarts, Afdeling Huisartsgeneeskunde en Verpleeghuisgeneeskunde LUMC, Postbus 2088, 2301 CB Leiden. Correspondentie: h.thiadens@wxs.nl Mogelijke belangenverstrengeling: niets aangegeven.

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen