Nieuws
Gepubliceerd
7 december 2010

Collega Van Duijn schrijft in zijn Intermezzo Ikke dat ‘iedereen in Nederland weet dat een huisarts afspraken van 10 minuten maakt’.1 Langer blijven zitten kan bij de kapper niet en bij de dokter ook niet. Het lijkt erop dat hij verwacht dat zijn verontwaardiging over het gedrag van zijn patiënte door collega’s collectief wordt gedeeld. Hierin moet ik hem echter teleurstellen. Er zijn nog huisartsen die daar anders over denken. Om de vergelijking met de kapper maar even in het belachelijke te trekken: wanneer ik naar de kapper ga, verwacht ik ook dat het in één afspraak mogelijk is mijn haar te laten wassen, knippen en fohnen, om maar niet te spreken over een kleurspoeling met grijsdekking. En wanneer ik mijn auto bij de garage ter reparatie aanbied, verwacht ik ook niet dat men mij meedeelt dat ik een vervolgafspraak moet maken indien het defect niet binnen 10 minuten gevonden en/of verholpen kan worden, of als er sprake blijkt te zijn van meerdere defecten. Wij plannen 10 minuten per patiënt om financiële redenen, niet uit belang voor de patiënt. Voor de meeste mensen is het een niet-alledaagse aangelegenheid om naar de dokter te gaan. Vaak houdt de betreffende klacht iemand al langere tijd bezig. Ik vind het logisch dat mensen vragen voor de huisarts opsparen. Als huisarts bepaal ik niet welke consultvraag belangrijk is en welke niet. Ik oordeel alleen over de urgentie. Een gemiddeld(!) consult duurt voor een vrouwelijke collega 12 minuten. In de planning van mijn spreekuur houd ik daarmee rekening, en ook met het feit dat een consult onverwacht kan uitlopen. Patiënten in de wachtkamer hebben er geen probleem mee dat zij soms wat langer moeten wachten omdat een consult uitloopt. De reacties die de assistente in de wachtkamer opvangt zijn reacties van medeleven met de betreffende patiënt, die het blijkbaar moeilijk heeft, en van waardering voor de dokter, die ook voor hen de tijd zal nemen die zij nodig hebben. Annette Offringa-Hup

Literatuur

  • 1.Van Duijn N. Ikke. Huisarts Wet 2010;53:364.

Reacties

Er zijn nog geen reacties