Wetenschap

Incidentie van seksuele functieproblemen

0 reacties
Gepubliceerd
4 februari 2013

Samenvatting

Kedde H, Donker G, Leusink P. Incidentie van seksuele functieproblemen. Huisarts Wet 2013;56(2):62-5.
Van 2003 tot 2008 hebben de Continue Morbiditeits Registratie (CMR) Peilstations in 46 huisartsenpraktijken gegevens verzameld met betrekking tot de incidentie van seksuele functieproblemen.
De huisartsen registreerden alle patiënten die seksuele functieproblemen hadden en specificeerden deze op een aanvullende vragenlijst. Hierbij rapporteerden ze of het probleem samenhing met andere problemen, eventueel voor welke interventies ze hadden gekozen en of ze een afspraak hadden gemaakt voor een vervolgconsult en/of een verwijzing.
De incidentie van seksuele functieproblemen bedraagt 95 per 100.000 patiënten – 132 per 100.000 mannen en 60 per 100.000 vrouwen. Bij mannen blijkt een erectieprobleem verreweg het meest gemelde probleem te zijn; bij vrouwen is dat dyspareunie (pijn bij het vrijen). Voor de periode 2003 tot 2008 hebben we geen verschillen gevonden in de incidentie van seksuele functieproblemen. Problemen met het seksueel verlangen hangen relatief vaak samen met psychische problemen, relatieproblemen bij mannen en medicijngebruik bij vrouwen. Seksuele pijnproblemen bij vrouwen gaan vaak samen met lichamelijke problemen. Bij vrouwen komen vaker meer seksuele functieproblemen tegelijkertijd voor dan bij mannen. Ook werden zij vaker dan mannen na één consult verwezen naar de tweedelijnszorg. In ongeveer de helft van alle eerste consulten maakte de huisarts een afspraak voor een vervolgconsult.
Er is geen duidelijk stijgende of dalende trend te zien in het diagnosticeren van seksuele functieproblemen in de huisartspraktijk. De aanwezigheid van comorbide problematiek duidt aan dat huisartsen geregeld te maken krijgen met complexe multifactoriële seksuele functieproblematiek. Een verwijzing naar een geregistreerd seksuoloog heeft dan de voorkeur. Gezien het geringe aantal verwijzingen naar de seksuoloog in dit onderzoek, is het raadzaam huisartsen beter te informeren over de verwijzingsmogelijkheden binnen het seksuologische veld. Hier ligt ook een taak voor de Huisarts Adviesgroep Seksuele Gezondheid (SeksHAG) van het NHG.

Wat is bekend?

  • Huisartsen kunnen seksuele functieproblemen goed behandelen, mits ze niet te complex zijn.
  • Patiënten komen vaak alleen, de partner is tijdens deze consulten bijna nooit aanwezig.
  • Het bespreekbaar maken van seksuele problemen is opgenomen in de eindtermen van de huisartsopleiding.
  • Huisartsen behandelen erectieproblemen voornamelijk medicamenteus.

Wat is nieuw?

  • Er is van 2003 tot 2008 geen duidelijk stijgende of dalende trend te zien in het diagnosticeren van seksuele functieproblemen in de huisartsenpraktijk.
  • Huisartsen krijgen geregeld te maken met complexe multifactoriële seksuele functieproblematiek.
  • Vrouwen worden ruim drie keer vaker dan mannen na één consult verwezen; bij mannen blijft het vaker bij één consult.
  • Het merendeel van de verwijzingen bij vrouwen betreft de tweede lijn.
  • Huisartsen verwijzen relatief weinig naar een seksuoloog.

Inleiding

Uit recent onderzoek blijkt dat seksuele functieproblemen veelvuldig voorkomen onder de Nederlandse bevolking.1 In totaal heeft 19% van de mannen en 27% van de vrouwen een of meer seksuele functieproblemen. Een voortijdig orgasme bij mannen komt het meest voor (10%), gevolgd door erectieproblemen (8%) en problemen met de subjectieve seksuele opwinding (5%). Bij vrouwen zijn lubricatieproblemen de meest voorkomende klacht (12%), gevolgd door orgasmeproblemen (11%) en problemen met de subjectieve seksuele opwinding (10%). Van de mensen met een seksueel functieprobleem heeft 39% van de mannen en 46% van de vrouwen twee of meer seksuele functieproblemen. Voor het behandelen van deze problemen neemt de huisarts – als behandelaar en verwijzer – een belangrijke plaats in. De meeste problemen zijn in de huisartsenpraktijk goed te behandelen, mits ze niet te complex zijn.234 Uit onderzoek kwam naar voren dat weliswaar ruim 85% van de mannen met een erectieprobleem behoefte had aan hulp, maar dat slechts 10% ook daadwerkelijk hulp had gezocht.2 Grootschalige onderzoeken naar de incidentie van seksuele functieproblemen in de huisartsenpraktijk zijn schaars. Aansluiting bij een bestaande morbiditeitsregistratie biedt de mogelijkheid om nieuwe gegevens te verzamelen over de incidentie van seksuele functieproblemen in de huisartsenpraktijk – en over het huisartsgeneeskundig handelen daarbij. Om die reden heeft vanaf 2003 binnen de Continue Morbiditeits Registratie (CMR) Peilstations van het NIVEL een dataverzameling met betrekking tot seksuele problemen plaatsgevonden.

Methode

Van 2003 tot 2008 waren bij de CMR Peilstations tussen 39 en 46 huisartsenpraktijken aangesloten. De patiëntenpopulatie van deze huisartsenpraktijken varieerde gedurende deze periode van 134.000 tot 145.000 mensen. Deze groep patiënten vertegenwoordigt ongeveer 0,8% van de Nederlandse bevolking en is representatief wat betreft geografische spreiding en bevolkinsdichtheid.5 De huisartsen die deelnemen aan de CMR Peilstations registreren wekelijks via het Elektronisch Medisch dossier (EMD) een beperkt aantal gezondheidsproblemen en verrichtingen. Bij een aantal gezondheidsproblemen en verrichtingen krijgt de huisarts daarnaast het verzoek een aanvullende vragenlijst in te vullen. Van 2003 tot 2008 vroegen wij de huisartsen die deelnamen aan de CMR Peilstations om wekelijks melding te maken van alle consulten waarbij sprake was van een seksueel functieprobleem en om de aanvullende vragenlijst in te vullen. Zo’n probleem werd aan de hand van de Codering Seksuele Problemen van het Landelijk Overleg van Poliklinieken Seksuologie vermeld.6 Verder konden de huisartsen – naast het hoofdprobleem – maximaal nog vier andere seksuele functieproblemen vermelden. Op een aanvullende vragenlijst vermeldden de artsen ook de etniciteit van de patiënt (diens geboorteland en dat van zijn vader en moeder) en het geslacht van diens eventuele partner. De vragenlijst bevatte verder een aantal vragen over het huisartsgeneeskundig handelen: of het functieprobleem, voor zover de arts kon nagaan, samenhing met andere psychische en/of lichamelijke problemen; het hoeveelste consult het was waarin het functieprobleem aan de orde kwam; welke verrichtingen tijdens het consult hadden plaatsgevonden; of de arts een afspraak had gemaakt voor een vervolgconsult en of hij de patiënt had verwezen (en zo ja, naar welke hulpverlener).
We rapporteren hier het aantal patiënten dat in de periode 2003-2008 voor het eerst met een seksueel functieprobleem naar de huisarts is gegaan, per 100.000 ingeschreven patiënten – oftewel de incidentie van deze problemen. De verschillen in incidenties tussen de jaren hebben we getoetst met behulp van ANOVA en Post Hoc Multiple Comparison (Bonferronitest). Voor het vergelijken van percentages is gebruikgemaakt van de chi-kwadraattoets. Daarnaast hebben we ook gekeken naar de effectgrootte Cramers V of Phi.

Resultaten

Patiënten

Van 2003 tot 2008 registreerden de huisartsen in de deelnemende huisartsenpraktijken 726 consulten waarbij een seksueel functieprobleem voor het eerst ter sprake kwam. Vijfennegentig procent van de patiënten had een vaste partner, maar in slechts 8% van de gevallen was deze partner ook bij het consult aanwezig. Mannen raadpleegden twee keer zo vaak een huisarts als vrouwen (mannen: n = 492; vrouwen: n = 234). Mannen waren beduidend ouder dan vrouwen (p &lt 0,001; F(1) = 179,67). Het merendeel van de mannelijke patiënten was tussen de 40 en 80 jaar (70%), met een gemiddelde leeftijd van 54,9 jaar. Van de vrouwelijke patiënten waren de meesten tussen de 20 en 60 jaar (68%), met een gemiddelde leeftijd van 38,3 jaar. De meeste patiënten waren autochtone Nederlanders (79%), 12% was allochtoon en van 9% was de afkomst onbekend.

Incidentie van seksuele functieproblemen

Het aantal mannen dat gedurende de periode 2003-2008 voor het eerst de huisarts heeft geraadpleegd voor een seksueel functieprobleem was 132 per 100.000 patiënten [tabel 1]. Voor vrouwen was de incidentie 60 per 100.000. In totaal consulteerden 95 per 100.000 patiënten hun huisarts vanwege seksuele functieproblemen. Bij mannen stelde men verreweg het vaakst erectieproblemen vast, gevolgd door subjectieve seksuele opwindingsproblemen en een voortijdig orgasme. Bij vrouwelijke patiënten was het vaakst sprake van dyspareunie en een verminderd seksueel verlangen. Huisartsen registreerden seksuele nevenproblemen significant vaker bij vrouwen dan bij mannen (27% versus 12%; p &lt 0,01; χ2(1) = 23,62, φ = 0,18). De ANOVA-test toonde aan dat er gedurende de jaren 2003-2008 geen sprake was van een duidelijk stijgende of dalende trend in de incidentie van seksuele functieproblemen (p = 0,22; F(5) = 1,55).
Tabel1Incidentie van seksuele functieproblemen per 100.000 patiënten in de huisartsenpraktijk, van 2003 tot en met 2008
Man (n = 492)Vrouw (n = 234)Totaal (n = 726)
Problemen met het seksueel verlangen
  • Verminderd seksueel verlangen
5,913,39,7
  • Seksuele aversie
0,52,01,2
  • Overmatig verlangen
2,00,31,1
  • Ander probleem met het seksueel verlangen
0,30,70,5
Problemen met de seksuele opwinding
  • Probleem met de subjectieve opwinding
10,43,77,0
  • Erectie-/lubricatieprobleem
95,64,449,5
  • Ander probleem met de seksuele opwinding
1,00,00,5
Problemen met het orgasme
  • Orgasmeprobleem
1,81,71,7
  • Voortijdig orgasme
6,803,3
  • Anhedonisch orgasme
0,30,30,3
  • Ejaculatieprobleem
3,10,31,6
  • Ander probleem met het orgasme
1,30,00,6
Seksuele pijnproblemen
  • Dyspareunie (pijn bij het vrijen)
1,328,515,2
  • Vaginisme
0,02,91,5
  • Pijn in andere lichaamsdelen
0,21,00,6
  • Verminderde gevoeligheid geslachtsdelen
0,20,70,5
  • Ander seksuele pijnprobleem
1,00,20,6
Totaal131,659,895,4

Comorbiditeit en seksuele functieproblemen

Mannen met psychische problemen en relatieproblemen hebben relatief vaak problemen met het seksueel verlangen (beide p &lt 0,01; respectievelijk χ2(3) = 11,38, Cramers V = 0,16; χ2(3) = 13,55, Cramers V = 0,17). We vonden bij mannelijke patiënten geen andere significante relaties tussen comorbide gezondheidsproblemen en seksuele functieproblemen. Vrouwen die te maken hebben met psychische problemen, hebben relatief vaak problemen met het seksueel verlangen; seksuele pijnproblemen komen daarentegen juist minder vaak voor bij vrouwen met psychische problemen (p &lt 0,05; χ2(3) = 8,27, Cramers V = 0,20). Dezelfde verbanden vinden we bij medicijngebruik: vrouwen hebben relatief vaak problemen met het seksueel verlangen en seksuele pijnproblemen komen minder vaak voor (p &lt 0,01; χ2(3) = 24,55, Cramers V = 0,34). Bij vrouwen met lichamelijke problemen zien we daarentegen juist een tegenovergesteld beeld: zij hebben relatief vaak te maken met seksuele pijnproblemen en juist minder vaak met problemen met het seksueel verlangen (p &lt 0,01; χ2(3) = 12,50, Cramers V = 0,24).

Interventies door de huisarts

Ongeveer 8 van de 10 huisartsen voerde een seksuologische anamnese uit, 50% van de patiënten kreeg informatie of advies en bij 40% schreven de huisartsen medicatie voor [tabel 2]. Vrouwen ondergingen vaker een lichamelijk onderzoek dan mannen (p &lt 0,01). Mannen kregen daarentegen vaker medicijnen voorgeschreven (p = 0,01) en voor hen vroeg de huisarts vaker een laboratoriumonderzoek aan (p &lt 0,01). Meer dan de helft van de patiënten kreeg een vervolgconsult en 13% werd na overleg met hun huisarts verwezen. Ongeveer een derde van de patiënten (36%) kreeg geen vervolgconsult en werd ook niet verwezen. Vrouwelijke patiënten kregen na één consult vaker een verwijzing dan mannelijke patiënten (p = 0,01). Mannelijke patiënten kregen vaker dan vrouwelijke patiënten één consult zonder follow-up of verwijzing (p = 0,01). Van de patiënten die na één overleg een verwijzing kregen, werden vrouwelijke patiënten vaker verwezen naar de tweede lijn dan mannelijke patiënten (p &lt 0,05). We vonden geen verbanden tussen een eventueel vervolgconsult en het probleem van de patiënt – het was dus niet zo dat huisartsen een specifiek probleem vaker zelf behandelden. Mannelijke patiënten met seksuele opwindingsproblemen (in het bijzonder erectieproblemen) kregen daarentegen na één consult minder vaak een verwijzing in vergelijking met de drie andere clusters van seksuele problemen (p = 0,01). We vonden geen verschillen in verwijzingen tussen seksuele problemen bij vrouwelijke patiënten.
Tabel2Huisartsgeneeskundig handelen bij seksuele functieproblemen
? (n = 492)%? (n = 234)%Totaal(n = 726)%?2 (1)pPhi
Interventies door de huisarts*
  • Seksuologische anamnese afgenomen
85,280,383,6
  • Lichamelijk onderzoek gedaan
19,3?50,2?29,271,050,0010,32
  • Laboratoriumonderzoek aangevraagd
13,6?6,0?11,28,520,010,11
  • Informatie of advies gegeven
51,947,250,4
  • Medicijnen voorgeschreven
50,1?19,3?40,266,290,0010,29
  • Aard of dosering medicatie herzien
6,95,66,5
Verwijzing/vervolgconsult
  • Vervolgconsult na één consultatie
53,457,154,6
  • Verwijzing na één consultatie
7,2?24,2?12,739,650,0010,24
  • Geen vervolgconsult én geen verwijzing
41,2?25,4?36,116,350,0010,15
Verwijzing eerste lijn (n = 22)
  • Psycholoog/psychiater
8,67,27,7
  • Maatschappelijk werker
2,90,01,1
  • Eerstelijns seksuologisch centrum
17,13,68,8
  • Seksuoloog
8,65,46,6
  • Onbekend
4,72,63,6
  • Verwijzing eerste lijn totaal
41,9?18,8?27,85,040,050,25
Verwijzing tweede lijn (n = 57)
  • Polikliniek seksuologie
5,714,311,0
  • Gynaecoloog
2,944,628,6
  • Uroloog
17,10,06,6
  • Andere somatisch specialist
5,70,02,2
  • GGZ
17,110,713,2
  • Anders
1,03,41,8
  • Onbekend
8,68,38,8
  • Verwijzing tweede lijn totaal
58,1?81,3?72,229,630,0010,25
* Meer antwoorden mogelijk
† Het totaal telt niet op tot 100%; 25 patiënten kregen zowel een vervolgconsult als een verwijzing.
‡ De verschillen tussen mannen en vrouwen hebben we alleen getoetst bij het totaal aantal verwijzingen.
?? = significant hoger of lager dan bij het andere geslacht

Beschouwing

Gedurende de onderzochte periode (2003-2008) is er geen duidelijk stijgende of dalende trend zichtbaar in het raadplegen van de huisarts voor seksuele functieproblemen. Aanzienlijk meer mannen dan vrouwen bezoeken de huisarts met deze problemen, waarbij het merendeel van de mannen een erectieprobleem heeft. Vrouwen komen meestal in verband met pijn bij het vrijen en/of een verminderd seksueel verlangen. Het is zeer waarschijnlijk dat de huidige farmacologische behandelmethoden leiden tot een stijging van het aantal mannen dat op zoek gaat naar hulp; mannen met erectieproblemen verlaten de praktijk meestal met een recept voor PDE-5-remmers. Deze bevindingen zijn consistent met andere Nederlandse onderzoeken, waarbij artsen relatief vaak medicatie voorschreven voor erectieproblemen.78 Vrouwen raadplegen daarentegen opvallend genoeg de huisarts voor seksuele functieproblemen die relatief weinig voorkomen onder de Nederlandse bevolking (in dit onderzoek dyspareunie en een verminderd seksueel verlangen). Voor lubricatie- en orgasmeproblemen, en problemen met de subjectieve seksuele opwinding consulteren zij de huisarts relatief minder vaak.
Tegenwoordig erkent men dat huisartsen de meeste enkelvoudige seksuele problemen zelf moet kunnen behandelen.9 Het aantal patiënten dat in ons onderzoek een vervolgconsult krijgt (55%) wijst ook in deze richting. Anderzijds blijkt dat huisartsen bij multifactoriële problematiek geregeld verwijzen naar de tweede lijn (in de meeste gevallen een gynaecoloog). De huisarts besluit dus zelf veelal dat er meer kennis nodig is om seksuele functieproblemen te behandelen bij vrouwen. In dit onderzoek gaat het dan meestal om vrouwen met seksuele pijnproblemen, die daarnaast ook nog andere seksuele en comorbide problemen hebben. Huisartsen verwijzen echter relatief weinig naar seksuologen. Vergeleken met gynaecologen zijn officieel geregistreerde seksuologen beter geschoold in het afnemen van een seksuele anamnese en het beoordelen van seksuele problemen binnen een biopsychosociaal kader. Gezien het geringe aantal verwijzingen naar de seksuoloog is het raadzaam dat huisartsen beter geïnformeerd worden over de verwijzingsmogelijkheden binnen het seksuologische veld. Hier ligt ook een taak voor de Huisarts Adviesgroep Seksuele Gezondheid (SeksHAG) van het NHG.

Conclusie

Het aantal patiënten dat de huisarts voor een seksueel functieprobleem bezoekt bleef in de onderzochte periode constant. Meer mannen dan vrouwen raadplegen hiervoor de huisarts. Bij het merendeel van de mannen betreft het een erectieprobleem. De huisarts behandelt seksuele functieproblemen vaker zelf, bij complexere vragen verwijst hij frequent. Van doorverwijzing naar de seksuoloog is nog relatief weinig sprake. We bevelen huisartsen aan om dat vaker te overwegen.

Dankwoord

De auteurs bedanken alle huisartsen die gedurende 2003-2008 in het kader van de Continue Morbiditeits Registratie Peilstations Nederland hebben deelgenomen aan de registratie van de rubriek ‘seksuele problemen en seksueel geweld’.

Literatuur

  • 1.Kedde, H. Seksuele disfuncties in Nederland: prevalentie en samenhangende factoren. Tijdschr Seksuol 2012;36:98-108.
  • 2.Boer BJ, Bots ML, Lycklama a Nijeholt AA, Moors JP, Pieters HM, Verheij TJ. Erectile dysfunction in primary care: prevalence and patient characteristics. The ENIGMA study. Int J Impot Res 2004;16:358-64.
  • 3.Gianotten WL. Seksuele problemen van mannen in de huisartsenpraktijk. Vóórkomen, diagnostiek en behandeling. Tijdschr Seksuol 1993;17:129-41.
  • 4.Leusink P. Hoe werkt seks: het afscheid van libido. In Seksuologie serie Bijblijven. Houten: Bohn Stafleu van Loghum, 2011.
  • 5.Donker G. Continue Morbiditeits Registratie Peilstations Nederland 2011. Utrecht: NIVEL, 2012.
  • 6.Landelijk overleg van poliklinieken seksuologie (LOPS). Codering seksuele problemen. Utrecht: LOPS, 1998.
  • 7.Kedde H, Donker G. Het huisartsgeneeskundig handelen bij erectieproblemen – gegevens uit de Continue Morbiditeitsregistratie Nederland. Huisarts Wet 2006;49:410-4.
  • 8.Vliet Vlieland C, Eekhof J, Schuil S, Maris C, De Bock T, Ong R, et al. Erectiele disfunctie in de huisartsenpraktijk: Veranderingen in incidentie en in beleid van de huisarts sinds de introductie van sildenafil. Tijdschr Seksuol 2002;26:239-44.
  • 9.Van Duin BJ, Nijholt AJ, Maiburg HJS. Competentieprofiel en eindtermen van de huisarts. Utrecht: Huisartsopleiding Nederland, 2009.

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen