Praktijk

Kennistoets: Laaggeletterdheid

0 reacties
Gepubliceerd
4 mei 2017

1. Vijfenzestig procent van de laaggeletterden in Nederland is autochtoon. Toch komt laaggeletterdheid in Nederland vaker voor bij niet-westerse migranten dan bij autochtonen. Hoe hoog is de prevalentie van laaggeletterdheid onder alle volwassen Nederlanders en hoe hoog is de prevalentie onder de niet-westerse migranten?

a. 6% van alle volwassenen, 10% van alle niet-westerse migranten.

b. 11% van alle volwassenen, 30% van alle niet-westerse migranten.

c. 22% van alle volwassenen, 40% van alle niet-westerse migranten.

 

2. Van Ee benaderde in haar onderzoek verhoudingsgewijs meer huisartsen uit achterstandswijken om aan het onderzoek deel te nemen. De kans om aan het onderzoek deel te nemen was dus niet gelijk voor alle huisartsenpraktijken. Wat voor gevolg heeft dit voor het onderzoek?

a. De betrouwbaarheid wordt daardoor beperkt.

b. De generaliseerbaarheid wordt daardoor beperkt.

c. De validiteit wordt daardoor beperkt.

 

3. Van Ee ondervroeg huisartsen naar bekendheid met een van de vier hulpmiddelen voor herkenning van en communicatie met laaggeletterden. Ook vroeg zij welke hulpmiddelen de huisarts gebruikt in het dagelijkse werk. Welk hulpmiddel wordt het meest gebruikt door de huisartsen in dit onderzoek?

a. De LHV Toolkit.

b. Website www.begrijpjelichaam.nl.

c. Website www.aof-amsterdam.nl.

d. Website www.pharos.nl.

 

4. Bepaalde vaardigheden schieten bij laaggeletterden tekort om goed te kunnen functioneren in de maatschappij. Welke vaardigheden schieten volgens de definitie van laaggeletterdheid tekort?

a. Lees- en schrijfvaardigheden.

b. Lees-, schrijf- en rekenvaardigheden.

c. Lees-, schrijf-, reken- en digitale vaardigheden.

d. Lees-, schrijf-, reken-, digitale en spreekvaardigheden.

 

5. Huisartsen vinden het moeilijk hun taalgebruik aan te passen aan het taalniveau van laaggeletterden. In boeken en op websites worden adviezen gegeven hoe te communiceren met laaggeletterden. Welk advies is met betrekking tot deze doelgroep correct?

a. Gebruik de woorden die de patiënt zelf gebruikt.

b. Maak om zinnen in te korten gebruik van medische termen.

c. Maak gebruik van beeldspraak en gezegden.

d. Maak zo weinig mogelijk gebruik van non-verbale uitingen.

 

6. Van Ee onderzocht in welke mate huisartsen zich bekwaam voelen om laaggeletterdheid te herkennen en in welke mate ze gebruikmaken van hulpmiddelen (websites) op het gebied van laaggeletterdheid. Wat is een van de uitkomsten van haar onderzoek?

a. De helft van de huisartsen ervaart problemen in de communicatie met laaggeletterden.

b. Huisartsen komen laaggeletterdheid op het spoor door er rechtstreeks naar te vragen.

c. Slechts een derde van de huisartsen registreert laaggeletterdheid in het EPD.

d. Driekwart van de huisartsen is bekend met een van de hulpmiddelen.

 

7. Mevrouw De Groot heeft een afspraak bij de huisarts om 09.40 uur. Ze verschijnt pas om 13.00 uur op de praktijk. De huisarts is dan visites aan het afleggen. Als de assistente uitlegt dat de dokter om 09.40 uur tijd voor haar had en zij nu voor de volgende dag een afspraak kan maken, wordt mevrouw De Groot boos. Ze zegt dat ze in haar lunchpauze is gekomen en dat ze eerder niet kon, omdat ze vanmorgen op haar werk was. De assistente vermoedt dat mevrouw De Groot laaggeletterd is. Hoe kan ze het beste handelen?

Vragen naar de werktijden van mevrouw De Groot en afspreken dat ze voordat ze naar haar werk gaat, langskomt.

a. Nieuwe afspraak maken en de tijd noteren op een kaartje.

b. Nieuwe afspraak maken en mevrouw De Groot vragen de tijd te herhalen.

 

8. Onderzoek heeft uitgewezen dat 80% van de laaggeletterden opgespoord kan worden door drie simpele vragen te stellen. Welke vraag is hier één van?

a. Hoe moeilijk is het om uw medicijnen volgens voorschrift in te nemen?

b. Hoe vaak begrijpt u niet goed wat er op televisie verteld wordt?

c. Hoe vaak vindt u het moeilijk om te begrijpen hoe uw medische situatie is?

De kennistoets gaat over één artikel in dit nummer van H&W, namelijk: Van Ee A, Van den Muijsenbergh METC. Ondersteuning bij de zorg voor laaggeletterde patiënten. Huisarts Wet 2017;60(5):208-11.

Daarnaast is gebruikgemaakt van de LHV Toolkit laaggeletterdheid. Utrecht: LHV, 2011 en het boek van Van den Muijsenbergh M & Oosterberg E (red.). Zorg voor laaggeletterden, migranten en sociaal kwetsbaren in de huisartsenpraktijk. Utrecht: NHG/Pharos, 2016. Verder zijn bronnen geraadpleegd die daarbij aansluiten, zoals NHG-Standaarden, Farmacotherapeutisch Kompas en CBO-richtlijnen. De juiste antwoorden vindt u op pagina 252.

Antwoorden

1b

Van Ee A, Van den Muijsenbergh METC. Ondersteuning bij de zorg voor laaggeletterde patiënten. Huisarts Wet 2017;60(5):208-11.

2b

Van Ee A, Van den Muijsenbergh METC. Ondersteuning bij de zorg voor laaggeletterde patiënten. Huisarts Wet 2017;60(5):208-11.

3b

Van Ee A, Van den Muijsenbergh METC. Ondersteuning bij de zorg voor laaggeletterde patiënten. Huisarts Wet 2017;60(5):208-11.

4c

Van Ee A, Van den Muijsenbergh METC. Ondersteuning bij de zorg voor laaggeletterde patiënten. Huisarts Wet 2017;60(5):208-11.

LHV Toolkit laaggeletterdheid. Utrecht: LHV, 2011.

5a

Van den Muijsenbergh M & Oosterberg E (red.). Zorg voor laaggeletterden, migranten en sociaal kwetsbaren in de huisartsen praktijk. Utrecht: NHG/Pharos, 2016.

6c

Van Ee A, Van den Muijsenbergh METC. Ondersteuning bij de zorg voor laaggeletterde patiënten. Huisarts Wet 2017;60(5):208-11.

7a

LHV Toolkit laaggeletterdheid. Utrecht: LHV, 2011.

8c

LHV Toolkit laaggeletterdheid. Utrecht: LHV, 2011.

De vragen van deze kennistoets zijn gemaakt door Henk Folkers, werkzaam bij de Huisartsenopleiding Nederland. Over vragen en antwoorden wordt niet gecorrespondeerd.

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen