Praktijk

Kennistoets: Vragen

Gepubliceerd
1 oktober 2014
Edwin is 2 jaar en komt met zijn vader op het spreekuur. Vader heeft gemerkt dat Edwin af en toe scheel kijkt. Ook anderen zeggen dat. De huisarts vraagt verder door en verneemt dat vader vroeger een lui oog heeft gehad en verziend is (hij heeft lenzen), maar wat beide met elkaar te maken hebben, weet vader eigenlijk niet. De huisarts legt uit dat (1) verziendheid de meestvoorkomende oorzaak is van scheelzien. Na verdere uitleg verwijst de huisarts Edwin naar de optometrist/opticien.
1. De uitleg bij (1) is correct.
2. Verwijzing naar de optometrist/opticien is correct.
Bij de elektronische post zit het bericht dat Erik, 7 jaar, voor de derde keer dit jaar met zijn vader op de SEH is geweest. De SEH-arts noemt in zijn bericht een vermoeden van kindermishandeling. De huisarts en aios bespreken wat ze hiermee moeten doen. De huisarts kent de familie niet goed. Die maakt sinds een half jaar deel uit van de praktijk en er zijn geen gegevens van een vorige huisarts. De aios zegt dat er voor huisartsen bij vermoeden van kindermishandeling (1) een wettelijke meldplicht bestaat. Verder vertelt de aios dat door de nieuwe meldcode (2) anonieme melding door artsen niet langer mogelijk is.
3. De bewering na (1) is correct.
4. De bewering na (2) is correct.
De heer Dansen, 52 jaar, meldt zich bij de huisartsenpost omdat hij tijdens een fietstocht flauwviel toen hij plotseling moest stoppen voor een stoplicht. Hij voelde het flauwvallen niet aankomen. Een kwartier tevoren had hij gepauzeerd, waarbij hij twee glazen bier had gedronken. Volgens omstanders duurde het bewustzijnsverlies enkele seconden, waarna het bewustzijn zich direct herstelde. Hierna liep hij rood aan. De heer Dansen heeft de tocht vervolgens zonder problemen uitgefietst. Hij is altijd gezond geweest. De huisarts denkt aan een vasovagale collaps of aan een syncope door een cardiale oorzaak. Voor een vasovagale collaps pleit/pleiten:
5. - de afwezigheid van prodromale verschijnselen;
6. - de roodheid na het flauwvallen;
7. - het optreden direct na alcoholgebruik.
Mevrouw Boeke, 62 jaar, belt tijdens het middagspreekuur de spoedlijn omdat ze hevige pijn in haar gezicht heeft. Ze heeft twee keer eerder pijnaanvallen in het gezicht gehad. De eerste twee aanvallen kwamen (1) ’s nachts en (2) duurden toen ongeveer 4 tot 6 uur. De huidige pijn is gelokaliseerd rond haar rechteroog en (3) straalt uit naar haar slaap. Paracetamol en ibuprofen helpen niet. Ze is wanhopig van de pijn. Desgevraagd blijkt ze tijdens de aanvallen niet stil te kunnen liggen. De huisarts denkt aan clusterhoofdpijn. Bij de diagnose clusterhoofdpijn past/passen:
8. - het tijdstip van de aanvallen genoemd na (1);
9. - de duur van de aanvallen genoemd na (2);
10. - de uitstraling van de pijn, genoemd na (3).
De antwoorden staan elders in dit nummer.

Reacties

Er zijn nog geen reacties.

Verder lezen