Praktijk

Kennistoets: vragen

Gepubliceerd
3 november 2015
1. Welke van onderstaande conclusies volgt uit het artikel over huisartsenzorg voor zwangeren (Feijen et al.)?
  • 50% van de zwangere vrouwen had geen contact met de huisarts gedurende zwangerschap en kraamperiode.
  • De ICPC-code W78 (bevestigde zwangerschap) was bij 60% van de zwangeren in het dossier van de huisarts geregistreerd.
  • De huisarts schreef aan ongeveer de helft van de zwangeren medicatie voor.
  • De meestgeregistreerde diagnose bij zwangeren was ‘Candidiasis urogenitaal’ (X72).

2. Mevrouw Landstra, 34 jaar, komt op het spreekuur. Ze is 29 weken zwanger. Sinds enkele weken heeft ze ’s nachts last van tintelingen in de middelste vingers van beide handen. Ze vraagt of er iets aan gedaan kan worden. De huisarts stelt na onderzoek de diagnose carpaletunnelsyndroom (CTS). Welke voorlichting over het beleid is correct?
  • Corticosteroïdinjecties zijn gecontra-indiceerd tijdens de zwangerschap.
  • Bij zwangerschap is, na afwachtend beleid, spalkbehandeling eerste keus.
  • NSAID’s vormen een geschikte behandeling voor mevrouw Landstra.
  • Chirurgie geeft klinisch veel betere resultaten dan conservatieve behandeling.

3. Mevrouw Boon, 28 jaar en 24 weken zwanger, komt met mictieklachten op het spreekuur. Zij is niet ziek, heeft geen koorts en geen pijn in de flanken. De nitriettest is positief. De huisarts stelt de diagnose urineweginfectie. Welk medicament is in dit geval eerst aangewezen?
  • Amoxicilline.
  • Amoxicilline-clavulaanzuur.
  • Ciprofloxacine.
  • Nitrofurantoïne.

4. Leusink doet in zijn artikel een aanbeveling voor de huisartsenpraktijk. Welke aanbeveling is dat?
  • Scholing en training van de huisarts zijn nodig om het gesprek over seksualiteit in de praktijk te verbeteren.
  • Seksualiteit zou vaker aan bod moeten komen in de NHG-Standaarden.
  • Er moet meer onderzoek worden gedaan naar hoe de huisarts omgaat met seksuele problemen.
  • Alle bovenstaande stellingen zijn correct.

5. De huisarts heeft de anamnese afgenomen bij een patiënt die een soa-test wil. Welke van onderstaande vragen is hierbij het minst relevant voor het bepalen van de diagnostiek?
  • Is er seksueel contact met mannen en/of met vrouwen geweest?
  • Wat is uw seksuele geaardheid?
  • Was er sprake van oraal, vaginaal en/of anaal contact?
  • Was er sprake van seks tegen betaling?

6. Het opsporen van soa’s bij fertiele vrouwen met klachten over een urineweginfectie gaat vooral om het aantonen of uitsluiten van Chlamydia trachomatis. Welke van onderstaande stellingen is in dit kader correct?
  • PCR op eerstestraalsurine is bij vrouwen de meest betrouwbare diagnostiek voor chlamydia.
  • Eerder onderzoek vermeldt een chlamydia-infectie bij 10% van de vrouwen met alleen mictieklachten.
  • UWI en chlamydia-infecties hebben overeenkomende symptomatologie en risicofactoren.
  • Alle bovenstaande stellingen zijn correct.

7. Mevrouw Willems, 26 jaar en 12 weken zwanger, komt op het spreekuur vanwege branderige mictie. Omdat zij een verhoogd soa-risico blijkt te hebben, doet de huisarts nader onderzoek naar chlamydia. Dit onderzoek is positief. Welk beleid is hier aangewezen?
  • Azithromycine 1 g eenmalig oraal.
  • Doxycycline 2 maal daags 100 mg gedurende 7 dagen.
  • Amoxicilline 3 maal daags 500 mg gedurende 7 dagen.

8. Chlamydia trachomatis komt met name voor bij heteroseksuelen, jonger dan 25 jaar. Slechts een deel van de vrouwen uit deze groep heeft last van de chlamydia-infectie, het andere deel is asymptomatisch. Het artikel van Buis et al. vermeldt het percentage vrouwen zonder klachten. Welk percentage is asymptomatisch?
  • 25%.
  • 45%.
  • 65%.
  • 85%.

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen