Praktijk

Kennistoets: vragen

Gepubliceerd
1 december 2015
1. Mevrouw van Walsum, 34 jaar, komt op het spreekuur, omdat zij een wegraking heeft gehad. Zij beschrijft dat ze voorafgaand aan de wegraking heftig was geëmotioneerd, omdat haar kat was aangereden. De huisarts legt uit dat de emotie de ‘trigger’ was voor het optreden van de wegraking. Aan welke type wegraking gaat vaak een ‘trigger’ vooraf?
  • Vasovagale syncope.
  • Psychogene non-epileptische aanval.
  • Cardiale syncope.
  • Epilepsie.

2. Op grond van de beschrijving van moeder denkt de huisarts dat Willem, 8 jaar, een epileptische aanval heeft doorgemaakt. Willem heeft nooit eerder zo’n aanval gehad. De huisarts zegt tegen zijn moeder dat hij naar de neuroloog moet om een eeg te laten maken. Hoe groot is de kans dat er afwijkingen op het eeg van Willem worden gevonden?
  • 25%.
  • 50%.
  • 75%.
  • 100%.

3. De huisarts arriveert met spoed bij mevrouw Houben. Zij is 63 jaar en heeft epilepsie. De familie vertelt dat ze weer een aanval heeft en dat het schokken al zeker 5 minuten aan de gang is. De huisarts stelt de diagnose gegeneraliseerde epileptische aanval en besluit tot medicamenteuze behandeling. Welke medicament is in dit geval eerst aangewezen?
  • Clonazepam.
  • Diazepam.
  • Midazolam.

4. Smits et al. beschrijven de zorgconsumptie op de huisartsenpost. Een hogere zorgconsumptie op de huisartsenpost blijkt samen te hangen met de organisatie van de aangesloten huisartsenpraktijken. Welke van de onderstaande praktijkkenmerken is het sterkst geassocieerd met hogere zorgconsumptie op de huisartsenpost?
  • Wachttijd aan de telefoon in de praktijk.
  • De grootte van de praktijk.
  • Het type praktijk (solo of meer huisartsen).
  • De training in telefonische triage.

5. Welke praktijkopbouw is in het onderzoek van Smits et al. geassocieerd met een hogere zorgconsumptie op de huisartsenpost?
  • Veel jonge kinderen en veel ouderen in de praktijk.
  • Veel jonge kinderen en veel allochtonen in de praktijk.
  • Veel ouderen en veel allochtonen in de praktijk.
  • Veel jongeren en veel chronisch zieken in de praktijk.

6. In het onderzoek van Huibers et al. over jaarlijkse screening op metabole stoornissen bij patiënten met een verlaagde eGFR in de huisartsenpraktijk, komen ook vaak afwijkende waarden van andere parameters voor. Welke afwijkende parameter wordt daarbij het meest aangetroffen?
  • Verhoogd calcium.
  • Verhoogd fosfaat.
  • Verhoogd PTH.
  • Verlaagd vitamine D.

7. De Landelijke Transmurale Afspraak (LTA) Chronische nierschade bepaalt nierschade op grond van de aanwezigheid van (micro)albuminurie en/of een verlaagde nierfunctie. De LTA koppelt aan elk stadium van nierfalen een specifiek beleidsadvies voor de huisarts. Voor verschillende leeftijdsgroepen gelden verschillende GFR-grenswaarden. Bij welke nierfunctie is, bij patiënten > 65 jaar (zonder albuminurie), consultatie van een nefroloog aangewezen?
  • Bij een GFR tussen 60-90 ml/min.
  • Bij een GFR tussen 45-60 ml/min.
  • Bij een GFR tussen 30-45 ml/min.
  • Bij een GFR tussen 15-30 ml/min.

8. Welke bevolkingsgroep(en) wordt geadviseerd dagelijks extra vitamine D te nemen?
  • Mensen die buiten altijd een sluier of boerka dragen.
  • Vrouwen vanaf 50 jaar.
  • Mannen vanaf 70 jaar.
  • Alle bovenstaande bevolkingsgroepen.

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen