Praktijk

Kennistoets: vragen

Gepubliceerd
2 juni 2016
De kennistoets gaat over één artikel in dit juninummer van H&W, namelijk: Kraaijenga VJC, Venekamp RP, Grolman W. Het cochleair implantaat. Huisarts Wet 2016;59(6):260-4.
De kennistoets is opgebouwd volgens de leerfasen van Kolb: concreet ervaren, overdenken, verbinden en toepassen.
1. Presbyacusis en lawaaislechthorendheid zijn aandoeningen waarbij sprake is van perceptief gehoorverlies. Welke structuur in het gehoororgaan is bij deze aandoeningen aangedaan?
  • De haarcellen in het orgaan van Corti.
  • De nervus cochlearis.
  • De vloeistof in de cochlea.
  • Het ovale venster.

2. Wat is de werking van een cochleair implantaat in de cochlea?
  • Brengt de haarcellen in het orgaan van Corti in trilling.
  • Geeft elektrische impulsen af in de scala tympani.
  • Stimuleert door direct contact de gehoorzenuw.

3. Bij perceptiedoofheid wordt onderscheid gemaakt tussen pre- en postlinguale doofheid.
Welke periode wordt omvat tussen ‘pre- en post’?
  • De embryonale periode waarin het gehoorapparaat wordt aangelegd.
  • De puberteit.
  • De periode waarin de taal- en spraakontwikkeling plaatsvindt.

4. De huisarts leest het verslag van de neonatale gehoorscreening van Ilse, een baby van twee maanden oud. De uitslag van de neonatale gehoorscreening is gunstig. Welke conclusie en beleid past het best bij deze uitslag?
  • Bij Ilse is geen sprake van gehoorverlies, gehoorverlies wordt niet verwacht in het eerste jaar.
  • Bij Ilse is geen sprake van gehoorverlies, wel is alertheid op gehoorverlies geboden.
  • Gehoorverlies is bij Ilse niet uitgesloten, alertheid op gehoorverlies blijft geboden.

5. Welk gehoorverlies is met een hoortoestel niet goed op te vangen?
  • Ernstig geleidingsverlies.
  • Ernstig perceptief verlies.

6. Yoeri is 16 jaar en komt op het spreekuur, omdat hij slechter hoort. In de klas zit hij op voorste rij om de docent beter te horen. Thuis moet het geluid van de televisie harder worden gezet. Yoeri was een halfjaar geleden opgenomen vanwege een bacteriële meningitis. Bij otoscopie zijn er geen afwijkingen zichtbaar. De Rinne is aan beide zijden positief, de Weber lateraliseert niet, de fluisterspraaktoets is afwijkend. De huisarts constateert dat er bij Yoeri sprake is van perceptief gehoorverlies. Welk beleid is aangewezen?
  • Herbeoordeling op het spreekuur over een week.
  • Reguliere verwijzing naar een audiologisch centrum.
  • Spoedverwijzing naar een kno-arts.

7. De heer Van het Woud, 51 jaar, komt op het spreekuur van de huisarts. Vanmorgen bij het wakker worden bemerkte hij dat hij veel minder hoort met het rechteroor. Daarbij heeft hij last van oorsuizen rechts. Bij otoscopie ziet de huisarts rechts een ingetrokken trommelvlies zonder andere afwijkingen. Stemvorkproeven wijzen op een perceptief gehoorverlies rechts. Wat is het aangewezen beleid?
  • Expectatief, controle over een week.
  • Een neusspray met corticosteroïden.
  • Directe verwijzing naar een kno-arts.

8. De 10-jarige Florian bezoekt met zijn moeder het spreekuur. Florian lijkt de laatste maanden slechter te horen. Bij otoscopie zijn geen afwijkingen zichtbaar. De huisarts wil het gehoor testen met screeningsaudiometrie in de huisartsenpraktijk. Vanaf welke leeftijd is dit een geschikte methode?
  • Vanaf 4 jaar.
  • Vanaf 6 jaar.
  • Vanaf 8 jaar.
  • Vanaf 10 jaar.

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen