Praktijk

Kennistoets: vragen

Gepubliceerd
29 juli 2016
De kennistoets gaat over één artikel in dit nummer van H&W, namelijk: Verstappen HJM, Gaal S, Wensing M. Patiëntveiligheid in de eerste lijn. Huisarts Wet 2016;59(8):350-3. Daarnaast wordt gebruikgemaakt van bronnen die daarbij aansluiten, zoals NHG-Standaarden, Farmacotherapeutisch Kompas, en CBO-richtlijnen.
De juiste antwoorden vindt u op pagina 376.
1. Verstappen et al. onderstrepen in hun artikel het belang van patiëntveiligheid in de huisartsenpraktijk. Zij wijzen in dat kader op het grote aantal arts-patiëntcontacten in de eerste lijn en de toegenomen complexiteit. In het artikel kennen zij een bepaald ‘gemiddeld risico op schade’ toe aan de eerstelijnszorg. Hoe hoog is dat ‘gemiddeld risico op schade’?
  • Laag.
  • Intermediair.
  • Hoog.

2. Volgens Verstappen et al. is er geen consensus over wat er in de eerste lijn precies moet worden verstaan onder patiëntveiligheid. Wel geven zij een definitie van een patiëntveiligheidsincident. Hoe luidt die definitie?
  • Iedere te vermijden gebeurtenis in de zorg die de patiënt schade heeft toegebracht.
  • Iedere te vermijden gebeurtenis in de zorg die de patiënt ernstige schade heeft toegebracht.
  • Iedere te vermijden gebeurtenis in de zorg die de patiënt schade heeft toegebracht of had kunnen brengen.

3. Incidenten in de eerste lijn zijn meestal gerelateerd aan tekortschietende communicatie, organisatorische problemen of tekortschietend medisch professioneel handelen (diagnose en beleid). Verstappen et al. vinden dat programma’s ter verbetering van de patiëntveiligheid zich vooral moeten richten op een van de genoemde aspecten. Welk aspect is dat?
  • Verbetering van de communicatieve aspecten.
  • Verbetering van het medisch professioneel handelen.
  • Verbetering van de organisatorische aspecten.

4. Een belangrijke bron bij het bestuderen van patiëntveiligheid in de eerste lijn is het analyseren van incidenten en calamiteiten. Verstappen et al. analyseerden gedurende vier jaar alle klachten die bij de regionale klachtencommissies in Zuid-Nederland werden ingediend. Waarop had meer dan tweederde van de klachten betrekking?
  • Medisch professioneel handelen.
  • Onjuist opgestelde verklaring/opgesteld rapport.
  • Onheuse bejegening/tekortschietende communicatie.
  • Organisatorische problemen.

5. De 53-jarige mevrouw Kolker is door de assistente ’s ochtends vroeg op de visitelijst geplaatst vanwege rectaal bloedverlies en een nachtelijke collaps (06:30 uur). De huisarts neemt om 10:00 uur de visites door en besluit tot een spoedvisite. Bij aankomst blijkt mevrouw Kolker goed aanspreekbaar te zijn; RRZ 120/75 mmHg, pols 80 sl/min. De huisarts stuurt haar met spoed naar het ziekenhuis. Waarvan is hier sprake?
  • Een bijna-incident.
  • Een incident.
  • Een calamiteit.

6. Het Tuchtcollege kan bij een gegronde klacht de aangeklaagde huisarts verschillende maatregelen opleggen; van een waarschuwing tot ontzegging van beroepsuitoefening. Welke bevoegdheden heeft een regionale klachtencommissie als zij een klacht gegrond heeft verklaard?
  • Kan een niet-verplichtende aanbeveling voor de praktijk doen.
  • Kan een verplichtende maatregel voor de praktijk opleggen.
  • Kan een geldboete opleggen.
  • Kan een schorsing opleggen.

7. In de huisartsenpraktijk wordt gebruikgemaakt van geautomatiseerde systemen om medicatiegerelateerde bijwerkingen en interacties op het spoor te komen. Waarvoor waarschuwen Verstappen et al. met betrekking tot de toepassing van deze systemen in de dagelijkse praktijk?
  • Ongevoelige afstelling, waardoor niet alle bijwerkingen en interacties kunnen worden opgespoord.
  • Te gevoelige afstelling, waardoor ook irrelevante bijwerkingen en interacties naar voren komen.

8. De huisarts realiseert zich dat de lage bloedsuikers van de heer Van Santen, 77 jaar en lijdend aan diabetes mellitus type 2, waarschijnlijk te wijten zijn aan het gebruik van glimepiride (Amaryl©). De glimepiride heeft hij zelf voorgeschreven, maar hij zag over het hoofd dat deze medicatie bij de heer Van Santen gecontraïndiceerd was vanwege de slechte nierfunctie (eGFR &lt 30 ml/min). De huisarts stopt de medicatie. Waar is de huisarts in dit geval volgens de wet nog meer toe verplicht?
  • Niets, stoppen van de medicatie is voldoende.
  • De huisarts dient de gang van zaken te melden aan de heer Van Santen.
  • De huisarts dient de gang van zaken te melden bij een regionale klachtencommissie.

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen