Nieuws

Klinisch redeneren, een feest der herkenning

Gepubliceerd
10 september 2004

Praktiserende artsen weten vaak niet wat zij allemaal weten. Maar die kennis is wel erg belangrijk voor het geneeskundig proces, het klinisch redeneren van klacht naar therapie. In 1999 verscheen de eerste uitgave van dit boek voor een brede doelgroep van studenten, specialisten en huisartsen. Inmiddels is een tweede druk verschenen met enkele aanpassingen naar aanleiding van een herziening van de eindtermen van de basisopleiding. De eerste druk kreeg in dit tijdschrift een goede bespreking en ook deze herziene uitgave is uitstekend geschreven. Het bevat een aantrekkelijke mix van theorie en praktijk. Al lezend ervoer ik het feest der herkenning. Wat weten en wat doen we veel! Regelmatig realiseerde ik me: ‘Inderdaad, zo doe ik het eigenlijk ook altijd’. Maar evenzogoed waren er momenten dat ik me afvroeg waarom ik het anders doe en of dat wel zinvol is. De diverse auteurs nemen je bij de hand en voeren je door het hele diagnostische en therapeutische proces heen. De route is geïllustreerd met patiëntenverhalen en overzichtelijke tabellen. De hoofdstukken zijn goed los van elkaar te lezen. Als huisartsen denken we vaak dat het goed voor specialisten is om te weten hoe een huisarts denkt. In dit boek komt ook het omgekeerde voor. Ik kreeg meer begrip van de denkwereld van een specialist. Dat ik niettemin hierna een viertal kritische kanttekeningen plaats, doet niets af van de aanbeveling dit boek te kopen en er een paar uur lees- en denkplezier aan te beleven. Het is al lange tijd bekend dat ervaren en onervaren artsen dezelfde strategieën gebruiken om diagnostische problemen op te lossen. Zij verschillen wel in de organisatie van hun kennis. Aan het eind van de medische opleiding zijn ongeveer een miljoen feiten aan ons brein toegevoegd. Door ervaring leren artsen deze enorme kennisbank beter te organiseren en vinden zij steeds sneller en efficiënter de correcte route naar de juiste kennis, passend bij het specifieke probleem. De auteurs besteden relatief weinig aandacht aan dit typische verschil tussen ervaren en onervaren artsen en aan de mogelijke theoretische verklaringen daarvoor. Cultuur en gezondheid zijn nauw met elkaar verbonden. Patiënten vertellen ons slechts een deel van hun verhaal omdat ze gemerkt hebben wat wij belangrijk vinden en wat niet. Allochtone patiënten interpreteren hun ziektesymptomen binnen een andere cultuur. Artsen dienen in staat te zijn die cultuurkloof te overbruggen en dat is meer dan een taalbarrière. Omdat allochtone patiënten vaak een substantieel deel uitmaken van de praktijk, lijkt een hoofdstuk over deze ingewikkelde materie toch wel op zijn plaats. Artsen maken fouten, waarschijnlijk zelfs tamelijk vaak. Het gaat dan meestal niet om zeldzame ziekten, maar om het atypisch beloop van veel voorkomende ziekten. De meeste fouten in de huisartsenpraktijk worden in de diagnostische fase gemaakt. Het lijkt zinnig in een volgende druk aandacht te besteden aan fouten in het klinisch redeneren. Welke denkfouten worden vaak gemaakt en hoe zijn die te voorkomen? Het boek hanteert het biopsychosociale ziektemodel waarbij naast de biologische ook de sociale en psychologische dimensies van het ziekzijn een rol spelen. Aandacht voor de ziektebeleving en voor de vraag hoe patiënten omgaan met hun chronische klachten hoort daarbij. Dat nogal wat patiënten voor hun klachten oplossingen zoeken in de alternatieve sector en daar deels tevreden mee zijn, is een maatschappelijk gegeven. Daarom staat er in het Raamplan dat artsen moeten beschikken over kennis van de aard en de betekenis van alternatieve geneeswijzen. Van artsen wordt dus niet verwacht dat ze instemmen met alternatieve oplossingen, maar wel dat ze met respect voor de opvattingen van de patiënt kunnen communiceren over dit onderwerp. De ene bladzijde die dit boek hieraan besteedt, doet naar mijn mening tekort aan deze maatschappelijke realiteit.

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen