Wetenschap

Kwakdenken

Gepubliceerd
10 mei 2005

Rhazes (860-932) was een beroemd Arabisch geneesheer: historici dichten hem de eer toe dat hij als eerste de waterpokken en mazelen heeft beschreven. Hij schreef 200 boeken, onder andere Waarom mensen de voorkeur geven aan slechte dokters. Je moet lef hebben om Rhazes een kwakzalver te noemen: Renckens, voormalig voorzitter van de Vereniging tegen de Kwakzalverij heeft dat lef. Een bladzijde eerder concludeert hij echter, in het voetspoor van de medisch historicus Roy Porter, dat het onderscheid tussen medici en kwakzalvers pas te maken valt als de echte professionalisering in de geneeskunde – halverwege de negentiende eeuw – begint. Dat is niet alleen lef, maar vooral inconsistentie. Renckens beschrijft modeziekten, van de grande hysterie aan het einde van de negentiende eeuw tot RSI, ME, bekkeninstabiliteit en postnatale depressie. Al die ziekten kenmerken zich volgens hem doordat er een organisch substraat ontbreekt: het zijn geen echte ziekten. Renckens vindt het weggegooid geld om die ziektes te onderzoeken. De Nijmeegse hoogleraar Van der Meer was zeer geliefd bij ME-patiënten totdat hij vaststelde dat er geen lichamelijke afwijkingen gevonden konden worden en hij cognitieve gedragstherapie propageerde: de liefde van de ME-patiëntenvereniging bekoelde. De Wageningse gynaecoloog Loendersloot behandelde postnatale depressie met het gestagene hormoon dydrogesteron. Na enkele jaren van onderzoek doen, publiceerde hij dat die behandeling niet werkte. ‘Veel ruchtbaarheid is er aan die studie niet gegeven’, schrijft Renckens en hij vermeldt ook niet waar dat onderzoek te lezen is. Jan Mens was in het begin van de jaren negentig de sympathiserende arts-deskundige van patiënten die leden aan bekkeninstabiliteit. In zijn proefschrift, dat hij in 2000 verdedigde, komt het begrip bekkeninstabiliteit nauwelijks meer ter sprake. Renckens beoordeelt het werk van mensen, en veel minder de resultaten van onderzoek. Boven vreugde en tevredenheid over de uitkomst van wetenschappelijke arbeid prevaleert bij hem de depreciatie voor het werk van onderzoekers; en de angst voor ongeruste patiënten die onverantwoorde keuzen maken, viert hoogtij. Voor Renckens is het de vraag hoe, na postnatale depressie en bekkeninstabiliteit, de volgende epidemie eruit gaat zien: ‘omdat zwangerschap en kraambed onverminderd een aanzienlijke fysieke en geestelijke belasting blijven vormen, die voor niet weinige vrouwen tijdelijk hun krachten te boven gaat’. ‘Vaststaat dat de overtuiging te lijden aan een echte ziekte een negatief effect heeft op het verdere beloop.’ Het kan iedereen treffen, maar ‘het zijn wel mensen die, soms tijdelijk, soms langdurig, niet op andere wijze kunnen omgaan met hun stress of kunnen voorzien in hun emotionele behoeften’. Renckens gaat nog een stap verder: ‘Natuurlijk zijn er ziektebeelden (men denke aan schizofrenie, manisch depressieve psychose, delirium tremens, temporale epilepsie) waarin biologische factoren de toerekeningsvatbaarheid en keuzevrijheid zodanig hebben aangetast, dat er van vrijwilligheid en verantwoordelijkheid van de patiënt voor zijn daden geen sprake meer kan zijn. Bij functionele klachten, somatiseren en modeziekten ligt dat echter anders vanwege het ontbreken van organisch-cerebrale factoren.’ Kortom, patiënten die zonder ‘ziekte’ klagen, zijn in de ogen van de inmiddels zeergeleerde Renckens verantwoordelijk voor hun eigen problemen. O ja, ook migraine rekent hij tot de ‘echte’ substraatloze aandoeningen, ‘maar deze zijn steeds zeldzamer geworden met de vooruitgang van de diagnostiek en zijn ook al lang bekend.’ Renckens komt naar mijn idee tot onhoudbare conclusies over mensen met klachten die biomedisch niet te verklaren zijn; ik vind het een schandelijke staal van kwakdenken. Het kwakdenken van Renckens zou je nog ter discussie kunnen stellen: hij is onmiskenbaar een belezen man. Maar het boek heeft geen methodische verantwoording van hoe hij al die literatuur gezocht en gevonden heeft. Mij bekruipt dan het onbehaaglijke gevoel dat de literatuur misschien wel selectief geciteerd is. Hoe vallen zijn opvattingen als een wetenschappelijke verantwoorde proeve van bekwaamheid te verdedigen?

Reacties

Er zijn nog geen reacties.