Nieuws

Onderwijs in evidence based medicine aan huisartsopleiders

Gepubliceerd
1 september 2015
In de opleiding tot huisarts is een belangrijke taak weggelegd voor de huisartsopleiders. In het eerste en derde jaar van de opleiding werkt de aios een jaar in de praktijk van een huisarts-opleider. De opleider is een belangrijk rolmodel voor de aios, puttend uit een ruime ervaring in patiëntenzorg en praktijkvoering.
De afgelopen 25 jaar groeide de aandacht voor evidence based medicine (EBM). Het belang van de mening van autoriteiten maakte plaats voor de vraag naar de wetenschappelijke onderbouwing van keuzes in de zorg. In de geneeskundeopleiding en in de vervolgopleidingen kwam veel meer aandacht voor het zoeken en beoordelen van relevante onderzoekspublicaties. Ook richtlijnen zijn zoveel mogelijk gebaseerd op evidence, bewijs uit goed opgezet en uitgevoerd onderzoek.
Huisartsopleiders, zelf veelal opgeleid voordat het EBM-onderwijs zijn intrede deed in het medisch onderwijs, lopen achter bij de aios als het gaat om EBM-kennis en -vaardigheden. Bij alle huisartsopleidingen wordt al jaren gewerkt aan het bijscholen van de opleiders op dit gebied. Zo leren opleiders om vragen uit de praktijk te structureren in het PICO-format, efficiënt te zoeken naar relevante literatuur, en gevonden artikelen kritisch te beoordelen.
Bij de huisartsopleiding van het AMC is een zogenaamd blended-learningprogramma voor opleiders ontwikkeld, een combinatie van onlineleren (e-learning) en contactonderwijs. Onderwijskundige Ellen te Pas had hier een belangrijke rol in. Zij promoveerde in maart 2015 op een proefschrift waarin de opzet en evaluatie van dit onderwijsprogramma de hoofdmoot vormen.
Het onderwijsprogramma was verplicht voor alle opleiders en bestond uit vier onlinemodules van ongeveer drie uur en vier bijeenkomsten, ook van elk drie uur. De e-learningmodules waren gericht op basiskennis, begrippen en vaardigheden voor het toepassen van EBM in de dagelijkse praktijk. Daarbij kon de opleider kiezen voor een makkelijke of een moeilijke route, afhankelijk van zijn aanvangsniveau. In het programma werd hiervoor de vergelijking met skiroutes getrokken.
De vier bijeenkomsten, waaraan 8 tot 12 opleiders tegelijkertijd deelnamen, waren uitgesmeerd over 12 maanden en waren gericht op het bespreken van de eigen attitude en barrières ten aanzien van EBM, de inpassing van EBM in de dagelijkse praktijk, en het oefenen met de stof uit de e-learningmodules.
De resultaten van het onderwijsprogramma werden geëvalueerd, door de deelnemers zowel aan het begin als na afloop schriftelijk te ondervragen. De primaire uitkomsten waren kennis en vaardigheden, attitude en gedrag met betrekking tot EBM gemeten door middel van vragenlijsten. Er waren twee nametingen, de eerste tijdens de laatste bijeenkomst, de tweede vier maanden later.
In totaal deden 170 opleiders van AMC en LUMC mee aan het onderwijsprogramma, 72% woonde ten minste drie bijeenkomsten bij. Het percentage deelnemers dat aangaf voorafgaand aan de bijeenkomst de bijbehorende e-learningmodule te hebben voltooid, varieerde tussen 55% en 86% per module.
Aan het evaluatieonderzoek deden 129 opleiders mee. De redenen waarom opleiders niet deelnamen zijn onbekend. Van de 129 deelnemers die de vragenlijst bij het begin invulden, waren er bij de eerste nameting 30 uitvallers en bij de tweede nameting 40.
Wat leverde het op? De gemiddelde score op kennis van EBM-begrippen, gemeten met de Fresno-test (range 0-220), was 78 voorafgaand aan de cursus, steeg naar 120 aan het einde van de cursus en zakte vier maanden later weer af naar 97. De verschillen tussen elk van de meetpunten waren alle statistisch significant, ook tussen de voorafmeting en de meting vier maanden na het onderwijsprogramma. Vrouwelijke opleiders deden het beter dan mannen. Op zowel attitude als gerapporteerd gedrag werden geen veranderingen gevonden. De belangrijkste beperkingen van het onderzoek zijn het ontbreken van een controlegroep en dat er niet naar feitelijk gedrag in de opleidingspraktijk is gekeken. Verder is het jammer dat niet gekeken is naar de drijfveren van opleiders om mee te doen. Die zouden kunnen helpen om het onderwijsaanbod nog beter te laten aansluiten bij hun behoeften.
Al met al vallen de opbrengsten van het onderwijsprogramma nogal tegen. De auteur concludeert dan ook terecht dat zo’n programma hooguit een eerste stap zou kunnen zijn in het integreren van kennis en vaardigheden op het gebied van EBM in de opleidingssituatie.
Behalve het onderzoek naar het onderwijsprogramma bevat het proefschrift een systematisch literatuuroverzicht van de barrières die huisartsen ervan weerhouden om met EBM aan de slag te gaan, en een mixed-methodsonderzoek naar motivatie en belemmeringen bij huisartsopleiders van het AMC rond dit thema. Boeiende kost voor iedereen die zich inzet voor de academisering van de huisartsopleiding.
Hans van der Wouden, Nettie Blankenstein

Waardering: ∙ ∙ ∙

zeer matig ∙
matig ∙ ∙
redelijk ∙ ∙ ∙
goed ∙ ∙ ∙ ∙
uitstekend ∙ ∙ ∙ ∙ ∙

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen